C-77/17 en C-78/17 X et X

Gevoegde prejudiciële hofzaken

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraken, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   7 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       24 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   24 mei 2017

Trefwoorden: asiel; vluchtelingenstatus (verdrag van Genève)

Onderwerp: - Verdrag van Genève van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen;
- Handvest grondrechten artikel 18 (recht op asiel);
- VWEU artikel 78.1 (asiel/subsidiaire bescherming);
- Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming.

Verzoeker in zaak C-77/17 is naar eigen zeggen van Ivoriaanse nationaliteit en verblijft sinds 01-07-2003 in BEL. Op 10-03-2010 is hij tot dertig maanden gevangenisstraf veroordeeld wegens geweldpleging en verboden wapenbezit. Op 06-12-2012 is hij tot vier jaar celstraf veroordeeld wegens verkrachting van een minderjarige. Op verzoekers verzoek hem de vluchtelingenstatus toe te kennen is 19-08-2016 door BELaut negatief beschikt. Hij wordt daarbij ook uitgesloten van de subsidiaire beschermingsstatus op grond van de bijzonder ernstige gepleegde feiten (‘gevaar voor de samenleving’). BELaut heeft tevens tegen terugzending geadviseerd wegens de nauwe banden die verzoekers familie onderhoudt met het IVO regime.

Bij de verwijzende BEL rechter (Raad voor vreemdelingenbetwistingen) stelt verzoeker dat het artikel in de BEL vreemdelingenwet waarop het afwijzingsbesluit is gebaseerd (omzetting artikel 14.5 van RL 2011/95) een uitsluitingsbepaling toevoegt aan het Verdrag van Genève (VvG) en dus daarmee in strijd is. De verwijzende rechter legt deze geldigheidsvraag van het artikel voor aan het HvJEU; zowel Handvest artikel 18 als VWEU artikel 78 garanderen het recht op asiel binnen de EU. Het afgeleide EUrecht dient in overeenstemming te zijn met de fundamentele beginselen van met name het Verdrag van Genève, zoals ook bevestigd door het HvJEU in de zaak Abdulla e.a. Uitsluiting van de vluchtelingenstatus kan volgens het VvG slechts plaatsvinden indien hij onder een van de situaties valt die in artikel 1 D, E en F van het VvG limitatief zijn opgesomd. Hij citeert opmerkingen van het VN-Hoog Commissariaat voor de Vluchtelingen over artikel 14.4 tot en met 14.6 van de RL heeft gemaakt. De bepaling van VvG artikel 33.2 (uitzonderingen op het beginsel van non-refoulement) wordt toegevoegd aan de gronden om iemand de vluchtelingenstatus te onthouden. Artikel 33.2 is niet ontworpen om als grond voor beëindiging van de vluchtelingenstatus te dienen maar beoogt de veiligheid van het land van toevlucht te beschermen. Gezien de definitie van het begrip vluchteling in het VvG en het ontbreken daarin van een weigeringsmogelijkheid acht de verwijzende rechter de aan de orde zijnde wettelijke regeling problematisch. Hij wijst ook op arrest C-373/13 waarin het HvJEU oordeelde dat ook na intrekking van een verblijfstitel de vluchtelingenstatus behouden blijft en de statushouder zich op de daaraan verbonden rechten kan beroepen. Zijn vragen luiden als volgt:
“Is artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95/EU verenigbaar met artikel 18 van het Handvest van de grondrechten en artikel 78, lid 1, VWEU? In dit verband rijzen de volgende vragen:

A. Moet artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95/EU aldus worden uitgelegd dat daarmee een nieuwe grond in het leven wordt geroepen om iemand uit te sluiten van de vluchtelingenstatus als bedoeld in artikel 13 van die richtlijn en dus ook artikel 1.A van het Verdrag van Genève?
B. Ingeval vraag A bevestigend wordt beantwoord, is het aldus uitgelegde artikel 14, lid 5, verenigbaar met artikel 18 van het Handvest van de grondrechten en artikel 78, lid 1, VWEU, waarin met name is bepaald dat het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève, waarvan de in artikel 1.F opgenomen uitsluitingsbepaling exhaustief is geformuleerd en restrictief moet worden uitgelegd?
C. Ingeval vraag A ontkennend wordt beantwoord, moet artikel 14, lid 5, van richtlijn 2011/95/EU dan aldus worden uitgelegd dat daarbij een grond tot weigering van de vluchtelingenstatus in het leven is geroepen waarin niet is voorzien door het Verdrag van Genève, dat overeenkomstig artikel 18 van het Handvest van de grondrechten en artikel 78, lid 1, VWEU dient te worden nageleefd?
D. Ingeval vraag C bevestigend wordt beantwoord, is artikel 14, lid 5, van de voormelde richtlijn verenigbaar met artikel 18 van het Handvest van de grondrechten en artikel 78, lid 1, VWEU – waarin met name is bepaald dat het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève – voor zover in eerstgenoemde bepaling een grond wordt ingevoerd om de vluchtelingenstatus te weigeren zonder dat is onderzocht of er vrees voor vervolging bestaat, hetgeen wordt vereist door artikel 1.A van het Verdrag van Genève?
E. Ingeval de vragen A en C ontkennend worden beantwoord, hoe kan artikel 14, lid 5, van de voormelde richtlijn dan worden uitgelegd in overeenstemming met artikel 18 van het Handvest en artikel 78, lid 1, VWEU, waarin met name is bepaald dat het afgeleide Unierecht in overeenstemming moet zijn met het Verdrag van Genève?”

In zaak C-78/17 is verzoeker naar eigen zeggen van Congolese nationaliteit. Hij heeft op 29-03-2006 asiel bij BELaut aangevraagd. Ook hij is veroordeeld wegens ernstige feiten, geweldpleging en diefstal met geweld en wordt de vluchtelingenstatus geweigerd wegens gevaar voor de samenleving. De vragen zijn identiek als in zaak C-77/17.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-175/08, C-176/08 en C-179/08 Salahadin Abdulla e.a.; C-373/13 T;

Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB