C-79/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    2 augustus 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    19 september 2017

Trefwoorden: kansspelen; evenredigheidsbeginsel; kansspelmonopolie

Onderwerp: - VWEU, in het bijzonder de artikelen 56 e.v.
- Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest), artikel 47.

Feiten:

In het kader van inspecties zijn in Oostenrijkse lokalen speelautomaten in beslag genomen die zonder vergunning van de overheid werden geëxploiteerd. Tegen de verantwoordelijke personen werden bestuursstrafrechtelijke procedures bij de overheid ingeleid. Nadat de strafbeschikkingen en de besluiten tot inbeslagname definitief waren geworden na de beroepsprocedure bij de Oostenrijkse bestuursrechter in eerste aanleg, gelastte de bestuurlijke instantie bij een besluit de verbeurdverklaring van de speelautomaten. Verzoekende partijen zijn in beroep gegaan tegen deze verbeurdverklaringsbesluiten. Het gaat hier om opheffing van bestuursstrafrechtelijke maatregelen die zijn opgelegd wegens schending van het Oostenrijkse kansspelmonopolie.

Overweging:

Op het gebied van kansspelen is het vaste rechtspraak van het Hof van Justitie dat bij de beoordeling van de verenigbaarheid van een nationale monopolieregeling met het Unierecht, met name met de artikelen 56 e.v. VWEU, de coherentie moet worden getoetst. Het Hof eist in gevallen waarin de coherentie moet worden getoetst, dat elke rechterlijke instantie die toetsing zelfstandig verricht, en deze rechtspraak vereist bovendien duidelijk dat een dergelijke toetsing wordt verricht in een procedure die in alle opzichten aan de vereisten van artikel 6 EVRM en artikel 47 van het Handvest voldoet, zodat alles bij elkaar genomen het arrest en de beslissing mogelijk niet aan deze vereisten beantwoorden.

Prejudiciële vragen:

1) Is een nationale regeling betreffende een kansspelmonopolie samenhangend in de zin van de artikelen 56 e.v. VWEU, wanneer met betrekking tot deze regeling – waarbij er in dit verband van wordt uitgegaan dat
a.         een vaststelling en beoordeling van de feiten op grond van door de autoriteiten en particuliere procespartijen overgelegd bewijs en algemeen bekende feiten volstaat (zie in dit verband zaak C-685/15) en
b.         rechterlijke instanties niet gebonden zijn door het oordeel van andere nationale rechterlijke instanties die de samenhang niet zelfstandig hebben onderzocht (zie in dit verband zaak C-589/16) – in een gerechtelijke procedure die voorbehoud a) en b) in acht neemt en dus waarschijnlijk in overeenstemming is met het beginsel van een eerlijk proces van artikel 6, lid 1, EVRM en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, is vastgesteld dat zij de volgende wezenlijke uitgangspunten heeft:
– gokverslaving is geen maatschappelijk probleem dat optreden van de overheid vereist;
– verboden kansspelen worden niet beschouwd als een strafbaar feit, maar enkel (zij het vaak) als een administratieve overtreding;
– de staatsinkomsten uit kansspelen bedragen jaarlijks meer dan 500 miljoen EUR (= 0,4 % van de gehele jaarbegroting), en
– de reclame door de concessiehouders beoogt in belangrijke mate ook personen die niet aan kansspelen deelnemen, tot spelen aan te zetten?

2) Indien de eerste vraag bevestigend moet worden beantwoord, is een dergelijk stelsel dan samenhangend in de zin van de artikelen 56 e.v. VWEU voor zover dat stelsel de daardoor nagestreefde doelstellingen en de bewijslast van de Staat wat betreft de daadwerkelijke verwezenlijking daarvan niet uitdrukkelijk wettelijk vastlegt, maar de uitwerking van de wezenlijke criteria van samenhang en de toetsing daarvan aan de nationale rechterlijke instanties overlaat, op een wijze die een eerlijk proces in de zin van artikel 6, lid 1, EVRM en van artikel 47 VWEU uiteindelijk niet met zekerheid waarborgt?

3) Indien de eerste en/of de tweede vraag bevestigend moet(en) worden beantwoord, kan een dergelijk stelsel dan worden aangemerkt als evenredig in de zin van de artikelen 56 e.v. VWEU gelet op de wettelijk bepaalde, ruime interventiebevoegdheden van instanties van de uitvoerende macht, waarvoor geen voorafgaande rechterlijke machtiging of toetsing geldt?

4) Indien de eerste, de tweede en de derde vraag bevestigend moeten worden beantwoord, kan een dergelijk stelsel dan worden aangemerkt als evenredig in de zin van de artikelen 56 e.v. VWEU gelet op de omstandigheid dat een loutere vaststelling van strenge toegangsvereisten zonder daarbij gelijktijdig
het aantal van de toe te kennen concessies vast te stellen, de vrijheid van dienstverrichting in vergelijking minder zou beperken?

5) Indien een van de bovenstaande vragen ontkennend moet worden beantwoord, moet een nationale rechterlijke instantie die heeft vastgesteld dat het monopoliestelsel van het GSpG in strijd is met het Unierecht, dan op grond daarvan niet alleen de interventiemaatregelen die aan de orde zijn in de bij haar aanhangige procedure onrechtmatig verklaren, maar ook in het kader van haar ambtshalve bevoegdheid (bijvoorbeeld door heropening van deze procedures) noodzakelijk accessoire, maar reeds definitieve straffen (zoals bijvoorbeeld administratieve sancties) ongedaan maken?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-390/12 Pfleger; C-581/14 Naderhim; C-685/15; C589/16.

Specifiek beleidsterrein: VenJ