C-81/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   11 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       28 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   28 mei 2017
Trefwoorden: btw; teruggaaf; fiscale neutraliteit

Onderwerp: - richtlijn 2006/112/EG [van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde

Verzoekster dient 25-05-2015 een negatieve btw-aangifte in over april 2015. Daarna vindt een belastingcontrole door verweerster plaats over de periode 01-12-2014 – 30-04-2015 waaruit blijkt dat verzoekster onterecht om teruggaaf heeft verzocht; zij zou zelfs meer btw verschuldigd zijn. Verweerster weigert de teruggaaf met de motivering dat de gevorderde bedragen betrekking hebben op een tijdvak dat voorafgaat aan het onderzochte tijdvak. Over dat eerdere tijdvak is reeds een controleverslag uitgebracht. Zij baseert zich daartoe op een wettelijke regeling over verbetering van materiële fouten in belastingaangiften uit 2007; het beginsel van eenmalige belastingcontrole verzet zich tegen controle en toekenning van de gevorderde bedragen: in de reeds gecontroleerde periode zijn geen onregelmatigheden vastgesteld. Verzoekster vecht de weigering aan (dagvaarding 22-10-2015, aangevuld 27-01-2016). Zij stelt dat het over april 2015 opgenomen bedrag een correctie is ter compensatie van de btw van juli 2014. Dat betreft nota’s van de gemeentelijke belastingdienst die door onoplettendheid van de toenmalige boekhouder van verzoekster verkeerd waren geboekt. Door de overname van haar bedrijf (juli 2014) is dit pas eind 2014 aan het licht gekomen en gecorrigeerd. De correctie vond plaats na de vorige belastingcontrole. Een tweede gecorrigeerd bedrag is voortgekomen uit na de vorige controle door verweerster vastgestelde maatregelen naar aanleiding van de controle waarvoor pas na die controle relevante bewijsstukken konden worden geleverd. Dit alles is in het controleverslag te lezen. Verzoekster heeft 16-07-2015 om een hernieuwde controle verzocht maar dat verzoek is afgewezen omdat niet aan de voorwaarden daarvoor werd voldaan. Een verzoek om verbetering van materiële fouten in de btw-aangiften is eveneens afgewezen (omdat het een reeds gecontroleerde periode betrof). Verzoekster benadrukt dat aftrek btw een recht is dat niet kan worden beperkt als aan de materiële voorwaarden is voldaan, ook al is niet aan bepaalde formele voorwaarden voldaan. Weigering van een hernieuwde controle is gelijk aan ontzegging van dat recht. De Rb verklaart 31-03-2016 de vordering ongegrond omdat geen sprake is van aanvullende gegevens die niet het voorwerp van de eerdere controle hebben uitgemaakt. Hernieuwde controle zou schending van het beginsel van eenmalige controle en het rechtszekerheidsbeginsel opleveren. De door verzoekster gewenste correcties betreffen materiële fouten die volgens de wettelijke regeling niet verbeterd kunnen worden. Verzoekster gaat in beroep bij de verwijzende rechter.

Bij de verwijzende ROE rechter (Hof van Beroep Suceava) beroept verzoekster zich op het beginsel van fiscale neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel. Zij stelt strijd met RL 2006/112 en verzoekt de rechter vragen aan het HvJEU voor te leggen. De verwijzende rechter stelt vast dat verzoekster zich beroept op vaste rechtspraak van het HvJEU waarin het recht op aftrek een fundamenteel beginsel van EU-recht vormt en legt het HvJEU de volgende vragen voor:
1) Verzetten richtlijn 2006/112/EG [van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde], het beginsel van fiscale neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel zich in omstandigheden als in het hoofdgeding tegen een administratieve praktijk en/of een uitlegging van de bepalingen van een nationale wettelijke regeling volgens welke het niet mogelijk is om een recht op teruggaaf van de btw te controleren en toe te kennen dat voortvloeit uit een regularisatie met betrekking tot handelingen die zijn verricht in een tijdvak dat voorafgaat aan het gecontroleerde tijdvak en waarover een belastingcontrole is uitgevoerd waarbij de belastingautoriteiten geen tekortkomingen hebben vastgesteld die de maatstaf van heffing voor de btw kunnen wijzigen, ook al moeten die bepalingen aldus worden uitgelegd dat de belastingautoriteiten een tijdvak waarover reeds een belastingcontrole is uitgevoerd, opnieuw kunnen controleren op basis van aanvullende informatie en gegevens die op een later tijdstip worden verkregen op basis van samenwerking tussen de autoriteiten en overheidsinstanties[?]

2) Moeten richtlijn 2006/112, het beginsel van fiscale neutraliteit en het evenredigheidsbeginsel aldus worden uitgelegd dat zij zich in omstandigheden als in het hoofdgeding verzetten tegen nationale wettelijke regelingen op grond waarvan materiële fouten in btw-aangiften over belastingtijdvakken waarover reeds een belastingcontrole is uitgevoerd niet kunnen worden verbeterd, tenzij de verbetering wordt uitgevoerd op basis van door de belastinginspectiedienst naar aanleiding van de vorige controle genomen maatregelen[?]

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN