C-83/17 KP

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   6 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       23 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   23 mei 2017

Trefwoorden: EEX; onderhoudsverplichtingen; subsidiariteitsbeginsel

Onderwerp: - Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen;
- Verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen;

De zaak is door het Hof geanonimiseerd.
KP is geboren in 2013 en wordt vertegenwoordigd door moeder. Vader is LO. Allen zijn DUI staatsburgers. Sinds 28-05-2015 woont moeder met KP in OOS. 18-05-2015 verzoekt moeder namens KP betaling van levensonderhoud, en op 18-05-2016 breidt zij dit verzoek uit met terugwerkende kracht vanaf 01-06-2013. Zij stelt dat volgens het Haags protocol DUI recht inzake onderhoudsverplichtingen van toepassing is waardoor terugwerkende kracht (uitgesloten in DUI Bw) niet mogelijk, maar bij toepassing van de meest gunstige regeling (Protocol artikel 4.2) zou OOS recht van toepassing zijn dat geen beperking in de tijd kent. Vader ontkent dat artikel 4.2 op verjaarde of vervallen bedragen van toepassing zijn (en zeker niet als gevolg van moeders verhuizing naar OOS). Hij stelt dat DUI recht van toepassing is. In eerste aanleg wordt KP’s eis verworpen omdat volgens artikel 3 Haags Protocol DUI recht van toepassing en is niet voldaan aan de daarin gestelde voorwaarden. OOS recht zou alleen op aanspraken van toepassing zijn die aldaar zijn ontstaan. In beroep wordt de beslissing en motivering overgenomen, waarna de moeder ‘Revision’ vraagt. De zaak ligt nu voor bij de verwijzende rechter.

De verwijzende OOS rechter (Hooggerechtshof) stelt op grond van artikel 3.1 Protocol vast dat onderhoudsverplichtingen worden beheerst door het recht van de staat waar de gerechtigde gewone verblijfplaats heeft en dat wijziging alleen voor periodes erna kan gelden. Volgens punt 63 van het toelichtend verslag bij het Protocol is voor wat betreft het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen de subsidiaire aanknoping bij de lex fori alleen nuttig als de onderhoudsprocedure is aangespannen in een andere staat dan die van de gewone verblijfplaats van de schuldeiser. Subsidiaire aanknoping bij de lex fori kan volgens artikel 4.2 alleen worden overwogen als de procedure wordt aangespannen door de schuldenaar of als de autoriteit waar de zaak aanhangig is gemaakt, zich bevindt in een staat waarin geen van beide partijen verblijft. Of het artikel ook van toepassing is in het geval dat de schuldeiser zijn verblijfplaats wijzigt is voor hem onduidelijk. Zo niet dan vraagt hij zich af hoe de zinsnede “[i]ndien de onderhouds-gerechtigde op grond van het recht, bedoeld in artikel 3, geen levensonderhoud van de onderhoudsplichtige kan verkrijgen”, in artikel 4.1 van het Protocol moet worden uitgelegd. Over (al dan niet) toepassing van terugwerkende kracht lopen de opvattingen in de rechtsleer uiteen. Hij legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1. Moet het subsidiariteitsbeginsel van artikel 4, lid 2, van het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen aldus worden uitgelegd dat dit beginsel enkel toepassing vindt wanneer de vordering waarmee de procedure inzake onderhoud wordt ingeleid, is ingediend in een andere staat dan die waar de onderhoudsgerechtigde zijn gewone verblijfplaats heeft?

Indien die vraag ontkennend wordt beantwoord:

2. Moet artikel 4, lid 2, van het Protocol van Den Haag van 23 november 2007 inzake het recht dat van toepassing is op onderhoudsverplichtingen aldus worden uitgelegd dat de zinsnede ‘geen levensonderhoud’ ook ziet op gevallen waarin het recht van de vorige verblijfplaats louter omdat bepaalde wettelijke voorwaarden niet zijn nageleefd geen recht op levensonderhoud met terugwerkende kracht erkent?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: VenJ