C-89/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   10 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       27 april 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   27 mei 2017

Trefwoorden: burgerschap; verblijfsvergunning derdelanders; vrij personenverkeer; gelijke behandeling;

Onderwerp: - VWEU artikel 18 (gelijke behandleing) en artikel 20 (burgerschap);
- richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden

Verzoekster is Zuid-Afrikaanse, 50 jaar en (ongehuwd) partner van een Brits staatsburger. Zij woont met partner tussen 2008 – 2010 in Zuid-Afrika en daarna circa vijf jaar in NL waar verzoekster een verblijfsvergunning (verblijf als familie- of gezinslid bij Unieburger). In 2013 is het paar naar VK verhuisd en heeft verzoekster een verblijfsvergunning aangevraagd. Die is door verweerder (BiZa) geweigerd omdat een ongehuwde (ongeregistreerde) partner in VK niet als familielid wordt erkend. Verzoekster start een procedure waarbij de rechter in eerste aanleg haar in het gelijk stelt waarna verweerder in beroep gaat dat in april en mei 2016 wordt behandeld en waar is besloten vragen aan het HvJEU te stellen.

Bij de verwijzende VK rechter (Upper Tribunal) heeft verweerder (als belangrijkste kwestie in deze zaak) het argument ingebracht dat het ‘Surinder Singh’ beginsel enkel van toepassing is op echtgenoten. Verzoekster, als ongehuwde partner, is daarvan dan ook uitgesloten. Uit de nationale regelgeving zou volgen dat sprake is van ongelijke behandeling van EER- en Britse burgers – zie het verschil tussen artikel 3 van RL 2004/38 en de VK-regeling. In de RL wordt niets bepaald omtrent de nationaliteit van de EU-burger dan wel een vereiste gesteld aan het partnerschap, terwijl in de VK-regeling Britse staatsburgers niet onder de definitie van EER-burger vallen en een geregistreerd partnerschap wel vereist is. De rechter wijst erop hoe cruciaal het Surinder Singh-arrest voor onderhavige zaak is: het enige onderscheid is dat in die zaak sprake is van een officieel huwelijk. Uitbreiding van de toepassing zou dus een relatief kleine stap zijn maar het is hem niet duidelijk wat wettelijk gezien aanleiding daartoe zou geven. Hij besluit het HvJEU om een uitspraak te vragen. Verweerder wijst op zaak C-456/12 waardoor voor verzoekster een negatieve uitkomst zou kunnen volgen. De rechter is het daar niet mee eens en legt het HvJEU de volgende vragen voor:

1) Is een lidstaat ingevolge de beginselen vervat in de beslissing in zaak C-370/90, Sing, ECLI:EU:C:1992:296, verplicht een verblijfsvergunning te verstrekken aan, dan wel het verstrekken daarvan te vergemakkelijken voor, de van buiten de Unie afkomstige ongehuwde partner van een Unieburger die, nadat deze laatste zijn recht op vrij verkeer op grond van het Verdrag heeft uitgeoefend om in een andere lidstaat te werken, met een dergelijke partner is teruggekeerd naar de lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit?
2) Subsidiair, vereist richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden (hierna: “burgerschapsrichtlijn”) dat een dergelijke verblijfsvergunning wordt verstrekt dan wel dat het verstrekken ervan wordt vergemakkelijkt?
3) Is een besluit tot weigering van een verblijfvergunning onwettig wegens schending van artikel 3, lid 2, van de burgerschapsrichtlijn, indien een dergelijk besluit niet is gegrond op nauwkeurig onderzoek van de persoonlijke situatie van de verzoeker en niet behoorlijk of toereikend is gemotiveerd?
4) Is een nationale rechtsregel op grond waarvan geen beroep bij de rechter openstaat tegen een bestuursbesluit waarbij wordt geweigerd een verblijfvergunning toe te kennen aan een persoon die beweert een ander familielid te zijn, in overeenstemming met de burgerschapsrichtlijn?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-456/12 en C-457/12 O e.a.;

Specifiek beleidsterrein: VenJ/DMB