C-92/16 Bankia

  

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.


Termijnen: Motivering departement:   24 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       10 mei 2017

Schriftelijke opmerkingen:                   10 juni 2017
Trefwoorden: consumentenbescherming; oneerlijke handelspraktijken; splitsbaarheid overeenkomst

Onderwerp: richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten

(Ook) deze zaak was eerder geschorst in afwachting van arrest in zaak C-421/14 Banco Primus SA. De verwijzende rechter heeft (uitgebreid, zie de bijlage) aangegeven na het arrest (van 26-01-2017) zijn verzoek om een prejudiciële beslissing te willen handhaven.
Verzoekster heeft gebruik gemaakt van de in januari 2000 ingestelde buitengewone procedure voor het te gelde maken van de door haar aan verweerders ter beschikking gestelde hypothecaire lening op verweerders hoofdverblijf (zijnde de voor verzoekster makkelijkste en snelste weg). Zoals de meeste hypothecaire executies gaat het om (eenzijdige) opzegging door verzoekster volgend op de niet-nakoming door verweerders van te betalen termijnen. Ook in deze zaak gaat het om het beding inzake vervroegde opeisbaarheid.

De verwijzende SPA rechter (Rb Fuenlabrada) beziet de mogelijkheid in artikel 6.1 van RL 93/13 om de overeenkomst zonder het oneerlijke beding te laten voortbestaan. Hij wijst op de leer van de essentiële bestanddelen waarbij het oneerlijke beding geen deel uitmaakt van de hoofdzaak. Hij vraagt zich af of de overeenkomst kan voortbestaan indien, na schrapping van het oneerlijke beding, de gebondenheid aan de overeenkomst onredelijk bezwarend zou worden voor de verkoper. Het HvJEU heeft onder meer in C-26/13 geoordeeld dat “die bepaling [= art. 6.1 van de RL] volgens vaste rechtspraak beoogt het in de overeenkomst vastgelegde formele evenwicht tussen de rechten en verplichtingen van de contractpartijen te vervangen door een reëel evenwicht dat de gelijkheid tussen die partijen herstelt.” De rechter vraagt zich af of RL 93/13 een ‘lex perfecta’ is (Ulpianus), en wat de gevolgen daarvan zijn. Hij twijfelt of de overeenkomst kan voortbestaan. Hij haalt een arrest van het SPA hooggerechtshof aan waarin wordt gewaarschuwd dat te ver doorschieten in bescherming van consumenten kan leiden tot beperking van toegang voor consumenten tot (hypothecaire) leningen.
De rechter wijst vervolgens op de door het HvJEU (onder meer in C-26/13) aangegeven mogelijkheid voor de nationale rechter het oneerlijke beding te vervangen indien voortbestaan van de overeenkomst niet mogelijk is. Dit is echter beperkt tot gevallen waarin door de nietigheid van het oneerlijke beding de rechter verplicht zou zijn om de overeenkomst in haar geheel te vernietigen en de consument daardoor geconfronteerd zou worden met zodanige gevolgen dat hij in zijn belangen zou worden geschaad. De rechter vraagt zich af of voortbestaan van de overeenkomst mogelijk is na ongeldigverklaring van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid. Dit zou volgens de verwijzende rechter afhankelijk moeten zijn van redelijkheid van de omstandigheden. Is de inhoud van de overeenkomst splitsbaar en wat is het gevolg voor het evenwicht tussen de verplichtingen van partijen. Ten slotte wil de verwijzende rechter weten of de consument kan afzien van de beschermingsregeling van RL 93/13. In arrest C-243/08 heeft het HvJEU aangegeven dat de nationale rechter niet gehouden is het oneerlijke beding buiten toepassing te laten wanneer de consument besluit het oneerlijke karakter niet in te roepen. In casu gaat het om een recht, zodat naar mening van de rechter de regel dat iedereen mag afzien van hetgeen ten gunste van hem is bepaald van toepassing is. Als laatste wijst hij op Handvest artikel 38 (hoog niveau consumentenbescherming) en vraagt zich af of de SPA regeling verenigbaar is met de RL. In de nadere toelichting op zijn verzoek om hervatting van de zaak wijst de rechter met name op de wenselijkheid dat het Hof vasthoudt aan zijn jurisprudentie, maar een onderscheid maakt tussen de verkoper te goeder trouw en de verkoper te kwader trouw bij de handhaving van de RL vervatte regeling inzake niet-gebondenheid.

De vragen luiden als volgt:
1. Moet artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten aldus worden uitgelegd dat een overeenkomst niet kan voortbestaan zonder het oneerlijke beding wanneer de resterende inhoud onredelijk bezwarend is voor de verkoper?
2. Indien een voor de verkoper onredelijk bezwarende overeenkomst niet kan voortbestaan, kan de nationale rechter dan ter bescherming van de consument de overeenkomst in stand laten door een bepaling van aanvullend recht toe te passen, of dient hij de overeenkomst aan te vullen met een voor de verkoper minimaal aanvaardbare regel?
3. Is het in geval van ongeldigheid van een beding inzake vervroegde opeisbaarheid wegens de oneerlijkheid ervan mogelijk dat de rest van de overeenkomst blijft voortbestaan in de zin van artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13?
4. Kan de consument bij de rechter die de procedure behandelt afzien van de door richtlijn 93/13 geboden bescherming?
5. Is een nationale proceswet die bepaalde materiële rechten of voordelen van de consument afhankelijk stelt van de vraag of er een – zeer voortvarende – executieprocedure plaatsvindt, en deze rechten en voordelen niet toekent in andere procedures, verenigbaar met het doeltreffendheidsbeginsel als bedoeld in richtlijn 93/13 en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-243/08 Pannon GSM; C-26/13 Kásler et Káslerné Rábai; C-8/14 BBVA; C-32/14 Eerste Bank Hungary; C-110/14 Costea; C-169/14 Sánchez Morcillo en Abril García;

Specifiek beleidsterrein: VenJ, EZ