C-94/17

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:   17 april 2017
Concept schriftelijke opmerkingen:       3 mei 2017
Schriftelijke opmerkingen:                   3 juni 2017

Trefwoorden: consumentenbescherming; oneerlijke handelspraktijken;

Onderwerp: richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

Verzoeker heeft met rechtsvoorganger van verweerster Banco de Sabadell op 11-01-1999 een lening met hypothecaire zekerheid gesloten (€ 17.633,70, terug te betalen in 20 jaar maandelijkse termijnen) ter financiering van zijn gezinswoning. De rente bedroeg eerst 5,5%, maar werd na het eerste jaar variabel. Op moment dat de problemen ontstonden bedroeg de rente 4,75%. De overeenkomst bevat een clausule dat in geval van gemiste aflossingen een jaarlijkse vertragingsrente van 25% moet worden betaald. Verzoeker heeft een procedure ingesteld om onder meer vernietiging van dit vertragingsrentebeding te bewerkstelligen. Zowel in eerste als in tweede instantie wordt het beding als oneerlijk bestempeld en de rente door de rente verlaagd. Maar verzoeker gaat in cassatie omdat de uitspraken in strijd zijn met artikel 6 en 7 van RL 93/13: er is in het geheel geen vertragingsrente verschuldigd. Verweerster stelt dat weliswaar het vertragingsrentebeding is vernietigd maar dat verzoeker nog steeds gewone rente verschuldigd is.

De verwijzende SPA rechter (Hooggerechtshof) vraagt zich af welke maatstaven moeten worden gehanteerd bij de beoordeling van de vraag of een vertragingsrentebeding oneerlijk is en welke gevolgen zijn verbonden aan de op oneerlijkheid gebaseerde vernietiging van een dergelijk beding? In de SPA rechtspraak worden als gevolg van het ontbreken van maatstaven deze aspecten verschillend beoordeeld; het Hooggerechtshof wil graag tot één aanpak komen. In SPA bestaat geen wettelijke bovengrens voor vertragingsrente in consumentenleningen. Pas in mei 2013 is regelgeving ingevoerd die een bovengrens aan vertragingsrente stelt maar enkel voor leningen tot financiering van een als hoofdverblijf gebruikte woning, waarbij een hypotheek op die woning gevestigd wordt. Ook de gevolgen die door de rechters aan de vernietiging wegens oneerlijkheid worden verbonden verschillen – in gebreke blijvende consument is al dan niet nog (normale) rente verschuldigd. De rechter is van oordeel dat, wil geen sprake zijn van oneerlijkheid, de vertragingsrente die is vastgelegd in een beding waarover niet is onderhandeld, niet meer dan 2% extra mag bedragen. Hij wil wel de normale rente handhaven. Hij wijst op uitspraken van het HvJEU waarbij de vraag of de normale rente ‘redelijk’ is ten opzichte van de dienst die daarmee wordt vergoed, bij de oneerlijkheidstoetsing niet aan de orde komt indien het rentebeding duidelijk en begrijpelijk is geformuleerd. Naar aanleiding van eerdere uitspraken van de verwijzende rechter hebben diverse SPA rechters vragen aan het HvJEU voorgelegd waarin de verenigbaarheid van zijn rechtspraak met het EU-recht aan de orde is (zoals C-96/16). Objectief gezien bestaat er dus nog steeds twijfel over uitleg van RL 93/13. Hij legt onder meer die vraag dan ook voor aan het HvJEU:

1) Verzetten artikel 3, gelezen in samenhang met [punt 1, onder e), van de bijlage], en artikel 4, lid 1, van richtlijn 93/13 zich tegen rechtspraak volgens welke bij het in een leningsovereenkomst opgenomen vertragingsrentebeding in de vorm van een verhoging van de in de overeenkomst vastgelegde normale jaarrente met meer dan 2% sprake is van een onevenredig hoge schadevergoeding die wordt opgelegd aan de consument die een betalingsachterstand oploopt, en daarmee van een oneerlijk beding?
2) Verzetten artikel 3, gelezen in samenhang met [punt 1, onder e), van de bijlage], artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 1, van richtlijn 93/13 zich tegen rechtspraak volgens welke bij de toetsing of een in een leningsovereenkomst opgenomen vertragingsrentebeding oneerlijk is, moet worden nagegaan of bij de verhoging die de vertragingsrente inhoudt ten opzichte van de normale rente, sprake is van een “onevenredig hoge schadevergoeding die wordt opgelegd aan de consument die zijn verbintenissen niet nakomt”, en de vaststelling dat het beding oneerlijk is tot gevolg heeft dat die verhoging geheel wordt geschrapt en dus alleen nog normale rente verschuldigd is totdat de lening is afgelost?
3) Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord: wil sprake zijn van verenigbaarheid met richtlijn 93/13, dient de vaststelling dat een vertragingsrentebeding nietig is omdat het oneerlijk is, dan andere gevolgen te hebben, zoals het geheel schrappen van de normale en de vertragingsrente wanneer een leningnemer zich niet houdt aan zijn verplichting om binnen de in de overeenkomst genoemde termijnen de kosten van de lening te betalen, of het verschuldigd zijn van de wettelijke rente?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: (o.a.) C-415/11 Aziz; C-26/13 Kasler; C-143/13 Matei; C-482/13 - C-487/13 Unicaja Banco e.a.

Specifiek beleidsterrein: VenJ en EZ