E-8/17

EVA-hof zaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het eva Hof.

Termijnen: Motivering departement:    01 november 2017
Schriftelijke opmerkingen:                    18 december 2017

Trefwoorden: EER; dienstenrichtlijn; sport

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (hierna: dienstenrichtlijn);
-           Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte.

Feiten:

Verzoeker is een Noorse alpine ski racer en tevens lid van de Noorse nationale alpine ski-team. -- wilt een individueel marketingcontract sluiten met Red Bull met betrekking tot helmen/hoofddeksels. Verweerder (Norwegian Ski Federation, hierna: NSF) heeft geweigerd toestemming te verlenen aan -- om een individueel marketingcontract met Red Bull te ondertekenen met betrekking tot wedstrijden die onder toezicht van NSF en de International Ski Federation (FIS) zijn georganiseerd. -- betoogt dat de relevante onderdelen van de NSF's gemeenschappelijke verordeningen en de concrete toepassing ervan door dit individueel marketingcontract te verbieden, in strijd zijn met de mededingingsregels van de EER-overeenkomst (artikel 53 en artikel 54) en de dienstenrichtlijn (alternatief artikel 36 ff EER), en tevens met de nationale bepalingen ter uitvoering van de EER-regels in de Noorse wetgeving. NSF stelt dat ze de marketingrechten heeft op Red Bull en dat het weigeren om de marketingrechten van de nationale alpine skischool aan een atleet over te dragen, noch onder de beperkingsvoorwaarden van de mededingingsregels, noch onder de dienstenrichtlijn valt. Bovendien verwijst NSF naar het feit dat de rechten op helmen / hoofddeksels al waren verkocht aan de hoofdsponsor (Telenor) van de nationale alpine skischool tegen de tijd dat -- zijn vorderingen instelde. Volgens NSF betekent dit ook dat de rechtszaak niet kan slagen. Na mislukte onderhandelingen tussen de partijen heeft -- op 17.10.2016 een verzoekschrift ingediend bij Oslo District Court (Oslo tingrett). De hoofdeis in de nationale rechtszaak is dat NSF opdracht geeft om -- het recht te geven om een individueel marketingcontract met Red Bull voor helmen / hoofddeksels aan te gaan. Subsidiair heeft -- een vordering tot schadevergoeding ingediend, beperkt tot 15.000.000 NOK. Dit verzoek om advies is beperkt tot de uitlegging van de bepalingen van de dienstenrichtlijn, met als alternatief artikel 36 van de EER-overeenkomst.

Overweging:

De zaak heeft betrekking op de interpretatie van de EER-regels inzake het vrij verrichten van diensten in de EER. De vraag is welke juridische test wordt toegepast bij het beoordelen van een discretionaire regeling van een nationale sportfederatie voor de goedkeuring van individueel gebruik van marketingrechten door professionele alpine skiërs die lid zijn van het nationale team - een recht dat volgens de (inter)nationale regelgeving van de sport in principe behoort tot de nationale federatie. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie blijkt dat de regels inzake het vrije verkeer van toepassing zijn op economische activiteiten die verband houden met sport, de specifieke aard van sport is benadrukt in de interpretatie in zowel de analyse van restricties als in de analyse van de evenredigheidstoets. Tegelijkertijd is er geen jurisprudentie die de relevantie en het belang van de dienstenrichtlijn overweegt, met inbegrip van het belang van die richtlijn betreffende welke overwegingen relevant kunnen zijn voor de analyse van restricties, en welke overwegingen relevant zijn voor de beoordeling of een beperking wettig is of niet onder de EER-wetgeving.

Adviesvragen:

1. Welke juridische criteria zullen in het bijzonder worden benadrukt bij het beoordelen of een systeem van voorafgaande controle en toestemming van een nationale sportvereniging voor dergelijke sponsorcontracten van dit type - voordat de rechten op dergelijke merken van de federatie worden overgedragen - worden beschouwd als een beperking op de vrijheid van de atleet om diensten te verlenen overeenkomstig artikel 36 EER of Richtlijn 2006/123 / EG (dienstenrichtlijn)?
a) In hoeverre is de door het Hof van Justitie van de Europese Unie voorheen beschreven beperkingstoets voor het regelgevingskader voor sport, onder meer in zaak C-51/96, van toepassing? Behoudt artikel 16 van de dienstrichtlijn of andere bepalingen van die richtlijn wijzigingen in de beperkingstoets?

2. Welke juridische criteria zullen in het bijzonder worden benadrukt bij de beoordeling of de concrete weigering van een nationale sportfederatie om de individuele sponsorcontracten van atleten aangesloten bij een professionele nationale team voor dergelijke merken goed te keuren - zodat de rechten op dergelijke markeringen bij de federatie blijven - wordt beschouwd als een beperking van de vrijheid van de atleet om diensten te verlenen overeenkomstig artikel 36 EER of Richtlijn 2006/123 / EG (dienstenrichtlijn)?
a) Wat zijn de gevolgen als blijkt dat de nationale sportfederatie al een geldig contract heeft gesloten met de hoofdsponsor voor de blootstelling van de logo van het betreffende merk op helmen / hoofddeksels? Is dit van belang bij de beoordeling of er sprake is van een beperking of als er objectieve en voldoende redenen zijn voor de weigering?
Indien volgt dat hier sprake is van een beperking:

3. Kan het nationale voorschrift van de nationale sportfederatie (goedkeuringsschema) voor het potentieel gebruik door atleten van het merk in een individueel contract een vergunningsregeling vormen in de zin van artikel 4, lid 6, van Richtlijn 2006/123 / EG (dienstenrichtlijn )?
a) In zulks geval, is het goedkeuringsschema - geregeld in de artikelen 9 en 10 van hoofdstuk III - voor een Noorse burger die is geselecteerd voor het nationale team dat zich bezighoudt met financiele activiteiten in verband met zijn deelname aan de nationale team onderworpen aan het regelgevingskader van de nationale sportbond? Of is de regeling geregeld in artikel 16; ofwel, wat is de juridische test voor de juiste classificatie?

4. Bij de beoordeling van de wettigheid van de regeling - hetzij krachtens artikel 36 EER of de artikelen 9, 10 of 16 van de dienstenrichtlijn - moet de verwijzende rechter de bepalingen van de verordeningen en de weigering op zichzelf beschouwen, of dient zij ook het volgende in overweging te nemen:
• De redenen van de federatie om de marketingrechten te behouden, inclusief de overweging voor de financiering van de nationale teams en waarvoor het inkomen anders wordt gebruikt?
• De algehele mogelijkheden voor de atleet om financiële activiteiten te ondernemen, met inbegrip van rechten om sponsorcontracten te sluiten met apparatuurfabrikanten en eventuele andere marketingcontracten?
• Of indien het goedkeuringsschema of weigering om toestemming te verlenen gerechtvaardigd en evenredig blijkt te zijn?

5. Welke consequenties zullen volgen indien blijkt dat de goedkeuring van individuele contracten betreffende deze merken onderhevig is aan de discretionaire bevoegdheid van de federatie?

6. Welke procedurele vereisten stellen artikel 13 van Richtlijn 2006/123 / EG of artikel 36 EER aan de procedure en de beslissingen van een nationale sportfederatie-goedkeuringsregeling voor individuele marketingcontracten (sponsorcontracten) voor commerciële merken, en wat is het gevolg van de EER-wetgeving van niet-naleving van dergelijke procedurele vereisten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-51/96

Specifiek beleidsterrein: EZ; VWS

Gerelateerde documenten