E-(EVA-hof)

EVA-Hof zaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak.

Termijnen: Motivering departement:  13 maart 2017
(Concept-) schriftelijke opmerkingen:  21 maart 2017
Schriftelijke opmerkingen (engelstalig) 21 april 2017 (fatale termijn)

Trefwoorden: vrije advocatenkeuze

Onderwerp: - richtlijn 2009/138 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II)

Verzoeker woont in Liechtenstein. Hij voert een zaak bij het Hof te Vaduz tegen verweerster DAS, een vennootschap naar ZWI recht gevestigd in Luzern/Zwi. Haar belangrijkste business is verkoop van rechtshulpverzekeringen.

Verzoeker heeft sinds 01-09-2014 een huis gehuurd in Eschen, waarvoor hij een borgsom heeft gestort. Per 30-09-2015 beëindigt de verhuurster het huurcontract. Vanaf maart 2015 heeft verzoekers echtgenote regelmatig contact met DAS wegens schimmelvorming in de woning en daarna over de beëindiging van het contract en hoe de borgsom kon worden terugverkregen. De verhuurster bevestigt 09-10-2015 dat de borgsom wordt terugbetaald op een klein bedrag na. Op 18-11-2015 kan verzoekers echtgenote bevestigen dat de borgsom weliswaar is terugbetaald maar onder aftrek van kosten voor water en gemeentebelastingen.

Verzoeker verstrekt vervolgens een volmacht aan zijn in LIE werkzaam zijnde advocaat zonder DAS daarover te informeren (hetgeen een vereiste in de verzekeringsvoorwaarden). Bij brief van 02-12-2015 vraagt de advocaat DAS om onkostenvergoeding voor de procedure. Inmiddels is vastgesteld dat de schimmel al vanaf januari 2015 in het huis aanwezig was, hetgeen een reden voor het bedingen van huurverlaging vormt. DAS antwoord 03-12-2015 dat van huurvermindering nooit sprake was en dat volgens haar algemene voorwaarden verzoeker de regie aan DAS had moeten overlaten. Het eigenmachtig optreden van verzoeker geeft DAS aanleiding te weigeren de kosten te vergoeden. Na een herhaald verzoek om vergoeding weigert DAS waarop verzoeker een zaak start voor het Gerecht in Vaduz. Hij vraagt een verklaring voor recht dat onder de door hem gesloten polis en voor zover de reikwijdte daarvan, DAS verplicht was de kosten van de procedure tegen de verhuurster te vergoeden voor zowel het hele bedrag van de borgsom als de huurverlaging. Het Gerecht wijst de vordering af waarna verzoeker in beroep gaat. DAS wijst het beroep af omdat verzoeker eigenmachtig een advocaat had aangesteld hetgeen inbreuk maakt op het recht van DAS de regie over een zaak te voeren. 

De vragen die de LIE rechter aan het EVA-hof voorlegt luiden als volgt:
1 Does Article 201(1)(a) of Directive 2009/138/EC of the European Parliament and of the Council of 25 November 2009 on the taking-up and pursuit of the business of Insurance and Reinsurance (Solvency II) preclude a contractual agreement between a legal expenses insurance and an insured person, according to which it is a breach of duty of the insured person, releasing the insurance company from its obligations, if the insured person mandates an attorney to represent his interests, without the consent of the legal expenses insurance, at a point in time when the insured person would be entitled to make a claim according to the legal expenses insurance contract?

2. In the event that question 1 is answered in the negative: In litigation proceedings, when does an inquiry or do proceedings referred to in Article 201(1)(a) of Directive 2009/138/EC start, leading to the free choice of a lawyer? Is the relevant point in time solely based on the formal commencement of court proceedings (the lawsuit being filed with the court), or are prior steps also included, and, if so, which ones?

3. In the event that questions 1 and 2 are answered after 16 January 2017:
a) Does the principle of loyalty laid down in Article 3 of the EEA Agreement preclude national courts, in all circumstances, from calling the validity of decisions of the EFTA Court into question?
b) In the event that question 3a is answered in the negative: Which circumstances would allow national courts to question the validity of decisions of the EFTA Court, without thereby being in breach of the principle of loyalty laid down in Article 3 of the EEA Agreement?

 Aangehaalde jurisprudentie: (zie ook de NL zaak C-442/12 Sneller)

Specifiek beleidsterrein: VenJ