C-026-18 Federal Express Corporation Deutsche Niederlassung

C-26-18 Federal Express Corporation Deutsche Niederlassung

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    2 maart 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    16 april 2018

Trefwoorden: douane; btw; invoer

Onderwerp:

-           EG-Verdrag, in het bijzonder artikel 24;
-           Zesde richtlijn 77/388/EEG van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag;
-           Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek;
-           Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92;
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Het geschil tussen partijen betreft de vraag of voor goederen die door de lucht voor het eerst in de Unie zijn binnengekomen op het grondgebied van Duitsland en vervolgens met een ander vliegtuig verder naar Griekenland zijn vervoerd, btw bij invoer in Duitsland is ontstaan wanneer bij het binnenbrengen in de Unie inbreuk op de douanewetgeving werd gemaakt (veronderstelling 1) of, wanneer daarbij weliswaar geen inbreuk op de douanewetgeving werd gemaakt, maar het daaropvolgende vervoer van de goederen naar Griekenland geschiedde zonder de douanerechtelijk voorgeschreven plaatsing onder de regeling extern communautair douanevervoer (veronderstelling 2). Bij brief van 23.10.2008 deelde het douanekantoor van de luchthaven in Athene verweerder (hoofddouanekantoor van Frankfurt) o.a. mee dat er zich in januari 2008 bij 18 zendingen van verzoekster (Federal Express) onregelmatigheden hadden voorgedaan in de regeling extern communautair douanevervoer bij het vervoer van goederen door de lucht. Uit onderzoek bij verzoekster bleek dat het daarbij ging om goederen uit Israël, Mexico en de Verenigde Staten met verschillende geadresseerden in Griekenland. Verweerder verzond daarop in totaal vijf aanslagen aan verzoekster waarin onder meer omzetbelasting bij invoer op de voornoemde zendingen werd geheven. Verzoekster neemt aan dat de goederen na aankomst in Athene na heffing van (Griekse) omzetbelasting bij invoer in het vrije verkeer waren gebracht. Een bewijs hiervoor kon zij echter niet overleggen. De omzetbelasting bij invoer werd door verzoekster betaald. In november 2011 vorderde zij echter terugbetaling ervan, onder meer met de motivering dat dubbele heffing ervan tegen het Unierecht zou indruisen. Verweerder verwierp de teruggaafverzoeken. De bezwaarprocedures die verzoekster daarna instelde, bleven grotendeels zonder resultaat. Vervolgens heeft zij het onderhavige beroep ingesteld.

Overweging:

Als invoer van goederen wordt beschouwd het binnenbrengen in de Unie van een goed dat zich niet in het vrije verkeer bevindt in de zin van artikel artikel 29 VWEU. De btw-richtlijn bepaalt de lidstaat waarvan de btw bij invoer van goederen in de Unie ontstaat aan de hand van de plaats van invoer. Volgens artikel 60 van de btw-richtlijn is dat in beginsel de lidstaat binnen het grondgebied waarvan het goed zich ten tijde van het binnenkomen van de Unie bevindt. Uit artikel 61 van de btw-richtlijn blijkt dat het alleen bij dit beginsel blijft wanneer het in de Unie binnengebrachte goed niet onder een van de in artikel 156 van de btw-richtlijn bedoelde regelingen wordt geplaatst. Wordt het onder een van deze regelingen geplaatst, vindt de invoer niet plaats in de lidstaat binnen het grondgebied waarvan het goed in de Unie werd binnengebracht maar in de lidstaat op het grondgebied waarvan het goed aan die regelingen of situaties wordt onttrokken. Daaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat verdere toetsing onnodig is wanneer het op het grondgebied van de Unie binnengebrachte goed niet onder een douanerechtelijk vastgestelde, onder artikel 61 en artikel 71(1) van de btw-richtlijn vallende regeling is geplaatst – namelijk wanneer bij het binnenbrengen van het goed inbreuk op de douanewetgeving werd gemaakt (veronderstelling 1) – of wanneer het goed aanvankelijk wel onder een dergelijke regeling werd geplaatst maar vanaf een zeker ogenblik na het binnenbrengen werd onttrokken aan de betrokken regeling of aan een andere van de voornoemde regelingen waaronder het aansluitend op de eerste regeling werd geplaatst (veronderstelling 2). De verwijzende rechter betwijfelt echter of dit toereikend is om een invoer van goederen aan te nemen. Daartegen pleiten de bewoordingen van de artikelen 30 en 60 van de btw-richtlijn, het doel en de strekking van de omzetbelasting als verbruiksbelasting en de uiteenzettingen van het Hof over deze kwestie in zeer recente arresten.
 
Prejudiciële vragen:

1. Veronderstelt de invoer van goederen, in de zin van artikel 2, lid 1, onder d), en artikel 30 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, dat een in de Unie binnengebracht goed in het economische circuit van de Unie is  terechtgekomen, of volstaat het loutere risico dat het binnengebrachte goed in het economische circuit van de Unie terechtkomt?

2. In het geval dat de invoer van goederen veronderstelt dat de goederen in het economische circuit van de Unie zijn terechtgekomen: Komt een in de Unie binnengebracht goed in het economische circuit van de Unie terecht wanneer het goed in strijd met de douanewetgeving niet onder een regeling is geplaatst in de zin van artikel 61, eerste alinea, van richtlijn 2006/112 of aanvankelijk wel onder een dergelijke regeling is geplaatst maar later op grond van een douanerechtelijk onrechtmatige handelwijze aan deze regeling wordt onttrokken, of veronderstelt het binnenbrengen in het economische circuit van de Unie in het geval van een douanerechtelijk onrechtmatige handelwijze dat kan worden aangenomen dat het goed op grond van deze douanerechtelijk onrechtmatige handelwijze in het belastinggebied van de lidstaat waar de onrechtmatige handelwijze heeft plaatsgevonden, in het economische circuit van de Unie terecht is gekomen en dus mogelijkerwijs is verbruikt of gebruikt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: X C-480/12; Eurogate Distribution C-226/14 en C-228/14; Wallenborn Transports C-571/15; Latvijas dzelzcels C-154/16; Harry Winston C-273/12.

Specifiek beleidsterrein: FIN; FIN-fiscaal