C-102/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    4 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    16 mei 2018

Trefwoorden: erfopvolging; Europese erfrechtverklaring.

Onderwerp:

-           verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring (Europese erfrechtverordening);
-           uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 van de Commissie van 9 december 2014 tot vaststelling van de formulieren bedoeld in de verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen en de aanvaarding en de tenuitvoerlegging van authentieke akten op het gebied van erfopvolging, alsmede betreffende de instelling van een Europese erfrechtverklaring.

Feiten:

Op 2 juni 2017 is erflaatster overleden. Erflaatster had de Duitse nationaliteit en was weduwe. De nog in leven zijnde naaste verwanten van erflaatster zijn de nakomelingen van haar overleden broer. Het vermogen wat de erflaatster nalaat is verspreid over Duitsland, Italië en Zwitserland. Bij op 17 december 2014 opgesteld notarieel testament heeft de erflaatster de Congregazione Benedettina Sublacene (internationale unie van benedictijnse huizen (abdijen en priorijen), hierna “aanvrager”) tot enige erfgenaam benoemd, tenuitvoerlegging van het testament gelast en, onder meer, aanvrager tot executeur benoemd.

Aanvrager heeft bij brief van 16 oktober de in Keulen bevoegde rechter voor erfopvolgingszaken verzocht om afgifte van een Europese erfrechtverklaring, als bedoeld in artikel 65, lid 2, van verordening (EU) nr. 650/2012 voor de in Italië aanwezige goederen van de nalatenschap.  Aanvrager heeft echter niet het vastgestelde formulier IV gebruikt van artikel 1, lid 4, van de uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014. Op 23 oktober 2017 heeft de rechter voor erfopvolgingszaken de aanvrager erop gewezen dat het voorgeschreven formulier IV gebruikt moet worden en verzocht het ingevulde formulier bij de akte te voegen. Aanvrager heeft bij brief van 7 november 2017 op voornoemde aanwijzing van de rechter gereageerd door het toegezonden formulier oningevuld aan deze rechterlijke instantie terug te zenden. Volgens de aanvrager kan een aanvrager het formulier als bedoeld in artikel 65, lid 2, van verordening (EU) nr. 650/2012 gebruiken maar is hij hiertoe niet verplicht. Het gebruik is naar de aanvrager zijn mening facultatief, doch niet dwingend voorgeschreven. 16 november 2017 heeft de rechter voor erfopvolgingszaken de aanvraag voor de Europese erfrechtverklaring afgewezen. Deze beslissing werd aldus gemotiveerd dat de aanvraag van een Europese erfrechtverklaring niet volgens de vormvereisten was ingediend.

Overweging:

Bij beslissing van 16 november 2017 heeft de bevoegde rechter voor erfopvolgingszaken in Keulen (Nachlassgericht van het Amtsgericht) de aanvraag van 16 oktober 2017 voor een Europese erfrechtverklaring afgewezen op de grond dat deze niet volgens de vormvereisten was ingediend. Op grond van artikel 1, lid 4, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 van de Commissie van 9 december 2014 moet bij de aanvraag van een Europese erfrechtverklaring als bedoeld in 65, lid 2, van verordening (EU) nr. 650/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 gebruik worden gemaakt van het in bijlage 4 vastgestelde formulier IV. Artikel 1, lid 4, van uitvoeringsverordening (EU) nr. 1329/2014 is volgens de bevoegde rechter een lex specialis ten opzichte van artikel 65, lid 2, van verordening (EU) nr. 650/2012. Het gebruik van het in bijlage 4 vastgestelde formulier IV is derhalve verplicht. Ondanks de daartoe strekkende aanwijzing van het Nachlassgericht heeft aanvrager geen ingevuld formulier bij de akte gevoegd. Tegen dit besluit heeft de aanvrager bezwaar aangetekend. Volgens verzoeker (advocaat namens aanvrager en erflaatster) volgt uit artikel 65, lid 2, van de Europese erfrechtverordening rechtstreeks dat het formulier kan worden gebruikt, doch dat dit niet verplicht is. Verzoeker brengt naar voren dat in artikel 67, lid 1, tweede volzin, van dezelfde verordening expliciet wordt bepaald dat formulier V in dat betreffende geval gebruikt moet worden, en in artikel 65, lid 2, van de Europese erfrechtverordening dit niet zo staat en het formulier daardoor dus niet verplicht is. Bij op 14 december 2017 bekendgemaakte beslissing van 13 december 2017 heeft het Nachlassgericht het bezwaar niet gehonoreerd en de zaak ter beslissing verwezen naar het Oberlandesgericht in Keulen. Deze rechter stelt het Hof de volgende prejudiciële vraag.

Prejudiciële vraag:

Is in het kader van de aanvraag van een Europese erfrechtverklaring als bedoeld in artikel 65, lid 2, van de Europese erfrechtverordening het in artikel 1, lid 4, van de uitvoeringsverordening bij de Europese erfrechtverordening vermelde gebruik van het in bijlage 4 vastgestelde formulier IV dat in overeenstemming met de in artikel 81, lid 2, van de Europese erfrechtverordening bedoelde raadplegingsprocedure is vastgesteld, verplicht dan wel facultatief?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -

Specifiek beleidsterrein: JenV