C-103/18

C-103/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    11 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    28 mei 2018

Trefwoorden: arbeidsrecht; ambtenaren

Onderwerp:

-           Verdrag betreffende de Europese Unie artikel 4(3);
-           Richtlijn 1999/70/EG van de Raad van 28 juni 1999 betreffende de door het EVV, de UNICE en het CEEP gesloten raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd;
-           Raamovereenkomst van het EVV, de UNICE en het CEEP inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, bijlage bij richtlijn 1999/70.

Feiten:

Verzoeker is tijdelijk personeelslid bij de gezondheidszorg van Madrid. In de aanstellingen van verzoeker is bepaald dat hij in dienst zal blijven totdat de post wegvalt of totdat de post wordt bezet door de voorlopige terugkeer van de persoon die verlof heeft genomen, wat hem geen recht op vaste aanstelling geeft. Op basis van een eerste aanstelling van 02.11.1999 tot 28.12.2011 was verzoeker in dienst in de categorie technische groep administratieve functie. Hij werd ontslagen en op basis van een tweede aanstelling tot op heden (meer dan 5 jaar) heeft hij op dezelfde werkplek diensten verricht, in dezelfde functies als vaste ambtenaren. Het ontslag en de tweede aanstelling zijn het gevolg van een wetshervorming waarbij nieuwe categorieën statutair personeel zijn ingevoerd, zonder dat dit gevolgen had voor zijn rechtspositie. Verzoeker heeft niet deelgenomen aan de toegankelijke selectietesten voor zijn categorie met het oog op de toegang tot de status van vast statutair personeel,  en heeft deze evenmin aangevochten. Verzoeker heeft tegen de aanstellingen en tegen het ontslag pas in december 2016 beroep ingesteld, dat door de viceminister gezondheidszorg werd afgewezen aangezien het niet tegen een besluit, een handeling, een nalaten of een feitelijke situatie was gericht. Verzoeker voert aan dat hij gedurende meer dan 17 jaar ononderbroken in dienst was in de categorie van personeel op oproepbasis ad interim. Hij is van mening dat zijn situatie in strijd is met de richtlijn en de raamovereenkomst, gelet op het feit dat tijdelijke personeelsleden ad interim worden gediscrimineerd. De Spaanse diensten zouden misbruik maken van tijdelijke aanwervingen, omdat zij deze gebruiken om te voorzien in permanente en structurele behoeften, zonder dat er objectieve redenen bestaan die dit misbruik rechtvaardigen of verklaren. Verzoeker stelt dat zijn vordering om als vast personeel te worden beschouwd, het gevolg is van het feit dat misbruik is gemaakt van tijdelijke aanwervingen. De administratie voert aan dat de richtlijn niet is geschonden, aangezien de Spaanse rechtspraak de omzetting naar de status van ambtenaar met een vaste aanstelling niet toestaat. Voorts is zij van mening dat, aangezien het Hof zich reeds heeft uitgesproken, het niet gepast is de prejudiciële vraag opnieuw te stellen en dat de richtlijn niet is geschonden, aangezien het recht op de loopbaanontwikkeling van de ambtenaren met een vaste aanstelling geen arbeidsvoorwaarde is; als dat wel het geval zou zijn, bestaat er een objectieve rechtvaardiging voor het verschil in behandeling, aangezien de vorm van toegang voor beide groepen verschillend is, en tot slot stelt zij dat de toewijzing van de vordering van verzoeker discriminerend zou zijn voor de ambtenaren met een vaste aanstelling.

Overweging:

De eerste twijfel van de verwijzende rechter betreft de draagwijdte van de uitdrukking “gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten of arbeidsverhoudingen voor bepaalde tijd”, die in clausule 5(1) van de raamovereenkomst wordt gebruikt. De tweede twijfel betreft de begrippen “objectieve reden” en “permanente behoefte”, waarvan de draagwijdte in de publieke sector niet vaststaat voor de verwijzende rechter. De derde twijfel heeft betrekking op de vraag hoe moet worden vastgesteld of er in het nationale recht sancties of beperkingen bestaan om misbruik bij tijdelijke aanwerving via de opeenvolging van tijdelijke overeenkomsten te vermijden, en als deze bestaan, of deze doeltreffend en evenredig zijn, en als zij niet bestaan, wat de gevolgen daarvan zijn. Ten slotte vraagt de verwijzende rechter zich af of het Unierecht vereist dat definitieve rechterlijke beslissingen of administratieve handelingen in deze omstandigheden worden herzien, wanneer voldaan is aan de vier in het arrest Kühne & Heitz gestelde voorwaarden.

Prejudiciële vragen:

1. Kan een situatie zoals in de onderhavige zaak is beschreven (waarin de overheid als werkgever de wettelijk voorgeschreven tijdelijke beperkingen niet in acht neemt en aldus het sluiten van opeenvolgende overeenkomsten voor bepaalde tijd mogelijk maakt of de tijdelijke duur behoudt door een aanstelling op oproepbasis te wijzigen in een aanstelling ad interim of een vervanging), worden beschouwd als misbruik als gevolg van het gebruik van opeenvolgende aanstellingen en derhalve als een situatie die wordt beschreven in clausule 5 van de raamovereenkomst die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG?

2. Moeten de bepalingen van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70[/EG], in verbinding met het doeltreffendheidsbeginsel, aldus worden uitgelegd dat zij zich verzetten tegen nationale procedurevoorschriften die van de tijdelijke werknemer verlangen dat hij zich actief opstelt door verzet aan te tekenen of beroep in te stellen (tegen alle opeenvolgende aanstellingen en ontslagen) om aldus en enkel zo aanspraak te kunnen maken op de door de richtlijn verleende bescherming en de door de rechtsorde van de Unie verleende rechten?

3. Gelet op het feit dat in de overheidssector en in de uitoefening van essentiële diensten de behoefte aan aanwerving van personeel wegens vacatures, afwezigheden wegens ziekte, vakanties (...) in wezen „permanent” is en het begrip „objectieve reden” die de tijdelijke aanstelling rechtvaardigt, moet worden afgebakend:
a) kan de situatie van een tijdelijke werknemer die op basis van opeenvolgende overeenkomsten ad interim alle of bijna alle dagen van het jaar werkt, waarbij de opeenvolgende aanstellingen/oproepovereenkomsten in de loop der jaren steeds worden verlengden altijd wordt voldaan aan de oorzaak waarom hij werd opgeroepen, worden geacht in strijd te zijn met richtlijn 1999/70/EG [clausule 5, lid 1, onder a)], zodat een objectieve reden ontbreekt?
b) moet worden aangenomen dat onder de beschreven omstandigheden, dat wil zeggen bij talrijke, jarenlang durende aanstellingen en overeenkomsten en gelet op het structurele tekort, dat tot uiting komt in het percentage interim personeel in de betrokken sector en/of in het feit dat deze personeelsbehoefte steeds en in de regel met tijdelijk aangestelde werknemers wordt gedekt die aldus duurzaam een wezenlijke factor bij het verrichten van de openbare diensten vormen, sprake is van een duurzame, en geen tijdelijke behoefte, die dus niet als ‘objectieve reden’ in de zin van clausule 5, [lid] 1, [onder] a), kan worden beschouwd?
c) of kan ervan worden uitgegaan dat om de toelaatbare grens van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd vast te stellen, enkel moet worden gekeken naar de bewoordingen van de bepaling die het gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd regelt en op grond waarvan tijdelijk personeel kan worden aangesteld wegens tekort, spoedeisendheid of ter uitvoering van programma’s van tijdelijke, conjuncturele of buitengewone aard, dat wil zeggen dat de aanwerving van dit personeel, opdat sprake is van een objectieve reden, moet geschieden wegens deze buitengewone omstandigheden en dat de objectieve reden vervalt en dus sprake is van misbruik wanneer de aanwerving niet meer in het individuele geval, af en toe en wegens bijzondere omstandigheden plaatsvindt?

4. Is het verenigbaar met de raamovereenkomst die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70/EG wanneer redenen in verband met behoefte, spoedeisendheid of de ontwikkeling van tijdelijke, conjuncturele of buitengewone programma’s worden beschouwd als objectieve reden voor de aanwerving van in overheidsdienst informatici op basis van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en de opeenvolgende verlengingen van hun overeenkomsten, wanneer deze werknemers permanent en duurzaam de gewoonlijke werkzaamheden van ambtenaren in vaste dienst verrichten zonder dat de betrokken diensten maximumgrenzen vaststelt voor die aanstellingen, voldoen aan hun wettelijke verplichtingen om die in die vacatures en in die behoeften te voorzien door ambtenaren aan te stellen of vergelijkbare maatregelen te treffen om misbruik door het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd te voorkomen en te verhinderen, met als gevolg dat de tewerkstelling voor bepaalde tijd van informatica in de openbare dienst voortduurt, in het onderhavige geval voor een ononderbroken tijdvak van 17 jaar?

5. Is met de bepalingen van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70[/EG] en de uitlegging die het Hof van Justitie daaraan heeft gegeven, verenigbaar de rechtspraak van de Tribunal Supremo (hoogste rechterlijke instantie, Spanje) volgens welke voor het bestaan van een objectieve reden zonder nadere parameter bepalend is of de reden voor de aanstelling en de daarmee verbonden beperking in de tijd in acht worden genomen, of wordt vastgesteld dat vergelijking met een vaste ambtenaar op grond van de verschillende rechtsvoorschriften en toegangssystemen alsook de duurzame aard van de werkzaamheden van ambtenaren in vaste dienst en de beperking in de tijd van de werkzaamheden van interim personeel onmogelijk is?

6. Moet clausule 5 van de raamovereenkomst inzake arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd die is opgenomen in de bijlage bij richtlijn 1999/70[/EG], wanneer de nationale rechter misbruik vaststelt door het gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor interim personeel ten dienste van SERMAS (Servicio Madrileño de la Salud de la Comunidad de Madrid) voor de dekking van de permanente en structurele behoeften voor het leveren van diensten van ambtenaren in vaste dienst, en in de interne rechtsorde geen doeltreffende maatregelen bestaan om een dergelijk misbruik te bestraffen en de gevolgen van de schending van de regel van Unierecht teniet te doen, aldus worden uitgelegd dat zij de nationale rechter verplicht, doeltreffende en afschrikkende maatregelen vast te stellen die de nuttige werking van de raamovereenkomst waarborgen en derhalve dat misbruik te bestraffen en de gevolgen van de schending van de genoemde regel van Unierecht teniet te doen, waarbij de nationale regel die daaraan in de weg staat buiten toepassing moet worden gelaten? Indien het antwoord op deze vraag bevestigend luidt, overeenkomstig het arrest van het Hof van Justitie van 14 september 2016, zaken C-184/15 en C-197/15, punt 41: Zou het stroken met de doelstellingen van richtlijn 1999/70/EG wanneer, als maatregel ter voorkoming en bestraffing van misbruik door gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en om de gevolgen van de schending van het Unierecht teniet te doen, de tijdelijke arbeidsovereenkomst op interim/oproep/vervangingsbasis werd omgezet in een arbeidsovereenkomst in vaste dienst van de overheid, hetzij onder de benaming van ambtenaar in vaste dienst, hetzij onder die van ambtenaar van onbepaalde tijd, met dezelfde vaste dienstbetrekking als bij vergelijkbare ambtenaren in vaste dienst?

7. Kan in geval van misbruik door gebruik van opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd de omzetting van de arbeidsovereenkomst in overheidsdienst voor bepaalde tijd in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd of in vaste dienst ervan worden uitgegaan dat enkel aan de doelstellingen van richtlijn 1999/70/EG en de raamovereenkomst wordt voldaan wanneer de ambtenaar in tijdelijke dienst die het slachtoffer was van het misbruik, dezelfde arbeidsvoorwaarden geniet als ambtenaren in vaste dienst (op het gebied van sociale bescherming, loopbaanontwikkeling, bezetting van vacatures, beroepsopleiding, onbetaald verlof, ambtelijke stand, vakantie en vrijstellingen, pensioenrechten, rechten bij beëindiging van het dienstverband en deelneming aan vergelijkende examens voor de bezetting van vacatures en ten behoeve van bevorderingen) met inachtneming van de beginselen van bestendigheid en onoverplaatsbaarheid en met alle eraan verbonden rechten verplichtingen, op voet van gelijkheid met informatici die in vaste dienst van de overheid zijn?

8. Vereist het Unierecht in de beschreven omstandigheden herziening van definitieve rechterlijke uitspraken respectievelijk definitieve bestuurlijke besluiten, wanneer is voldaan aan de vier voorwaarden van het arrest Kühne & Heitz NV (C-453/00 van 13 januari 2004): 1) in het Spaanse recht beschikken de administratie en de rechters over de mogelijkheid van herziening, maar met de vermelde beperkingen die het zeer moeilijk of onmogelijk maken om hierin te slagen; 2) de litigieuze beslissingen zijn definitief geworden ten gevolge van de uitspraak van een nationale rechterlijke instantie die uitspraak doet in laatste/enige aanleg; 3) die uitspraak berust op een uitlegging van het Unierecht die niet strookt met de rechtspraak van het Hof van Justitie en is gedaan zonder dat het Hof van Justitie vooraf is verzocht om een prejudiciële beslissing; en de betrokkene heeft zich onmiddellijk na van die rechtspraak kennis te hebben genomen tot het bestuursorgaan gewend?

9. Kan en moet de nationale rechter, die als Europese rechter de volle werking van het Unierecht in de lidstaten moet waarborgen, de nationale bestuursorganen van de lidstaten gelasten dat zij – binnen hun respectieve bevoegdheden – de relevante bepalingen vaststellen om de nationale voorschriften die onverenigbaar zijn met het Unierecht in het algemeen en met richtlijn 1999/70/EG en de raamovereenkomst ervan in het bijzonder, af te schaffen, en hen daartoe veroordelen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Kühne & Heitz NV C-453/00; Adeneler e.a. C-212/04; Del Cerro Alonso C-307/05; Mascolo e.a. C-22/13, C-61/13-C-63/13 en C-418/13; de Diego Porras C-596/14; Pérez López C-16/15; Martínez Andrés en Castrejana López C-184/15 en C-197/15; Conclusie van advocaat-generaal Szpunar in Santoro C-494/16.

Specifiek beleidsterrein: BZK; SZW