C-126/18 Dalmandi Mezőgazdasági

C-126/18 Dalmandi Mezőgazdasági

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    23 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    09 juni 2018

Trefwoorden:

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

Feiten:

Ten gevolge van het arrest in C-274/10 is de wijzigingswet vastgesteld, die op 27.09.2011 de nationaalrechtelijke bepalingen heeft opgeheven en de procedure voor teruggaaf van de tot op die datum ingehouden btw heeft geregeld. Volgens die regeling kunnen belastingplichtigen: – om betaling van de ingehouden btw vragen via een buitengewoon, binnen een vervaltermijn in te dienen verzoek tot teruggaaf, – deze terugvorderen in hun belastingaangifte of – deze in hun belastingaangifte in mindering brengen van de verschuldigde belasting.

Verzoekster (Dalmandi) heeft in overeenstemming met de wijzigingswet de bedragen waarop zij recht had ten gevolge van de opheffing van het criterium van de betaalde aankopen, in haar aangifte in mindering gebracht van de verschuldigde belasting. Via een op 30.12.2016 verstuurde brief verzocht verzoekster om betaling van rente over de btw die zij niet had kunnen terugvorderen in het tijdvak 2005-2011 wegens niet-betaling van de aankopen. Zij stelde haar recht vast op 74.518.000 HUF, waarbij zij het bedrag van de rente berekende op basis van tweemaal de basisrentevoet van de centrale bank, zoals in §37(6) van de algemene belastingwet is bepaald. Verder vorderde zij op basis van dezelfde rentevoet betaling van extra rente (hierna: samengestelde rente) wegens de vertraging bij de betaling van de rente over de btw vanaf 05.12.2011 tot de datum van de betaling ervan. Bij besluit van 10.03.2017 wees de belastingautoriteit in eerste aanleg het verzoek van verzoekster gedeeltelijk toe en stelde zij ten gunste van verzoekster een vertragingsrente van 34.673.000 HUF vast. Daarnaast werd het verzoek tot betaling van de samengestelde rente ongegrond verklaard. Ook werd de rentevordering van verzoekster voor het jaar 2005 afgewezen. Bij besluit van 12.06.2017 heeft verweerster (afdeling bezwaren van de nationale belasting- en douanedienst), waarbij verzoekster administratief beroep had ingesteld, het bedrag van de verschuldigde rente verlaagd naar 34.259.000 HUF en het besluit van de belastingautoriteit in eerste aanleg voor het overige bevestigd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. Met dat beroep vordert zij primair betaling van de oorspronkelijk door haar gevorderde rente en subsidiair vordert zij nietigverklaring van het besluit van verweerster en van het in eerste aanleg vastgestelde besluit, en dat de belastingautoriteit in eerste aanleg wordt gelast de zaak opnieuw te behandelen. Verzoekster is van mening dat de principiële nationale uitspraak op basis waarvan verweerster haar besluit motiveert, strijdig is met Unierechtelijke beginselen, namelijk het gelijkwaardigheidsbeginsel, het doeltreffendheidsbeginsel en het beginsel van de directe werking. Op grond van die uitspraak worden inbreuken op het nationale recht immers geregeld door §37(6) van de algemene belastingwet, waarbij een hogere rente wordt toegekend, terwijl op inbreuken op het Unierecht de §§ 124/C en 124/D van die wet van toepassing zijn. Anders dan de Kúria heeft geoordeeld, kunnen volgens verzoekster deze laatste bepalingen naar voorwerp en rechtsgrondslag niet worden beschouwd als vergelijkbaar met haar rentevordering. Bovendien betwist zij dat de belastingautoriteit geen verzuim kan worden verweten wanneer er geen verzoek tot teruggaaf is ingediend.. Voor het overige voert verzoekster aan dat principiële uitspraak van de Kúria op basis van andere feiten is gewezen dan die welke zich in casu hebben voorgedaan. De Kúria heeft echter tot op heden nog geen uitspraak moeten doen in een zaak zoals die van verzoekster, die de ingehouden btw tijdig heeft vereffend.

Overweging:

Wat betreft de grondslag van het verzoek om een prejudiciële beslissing refereert de verwijzende rechter aan de desbetreffende argumenten van verzoekster, volgens welke de principiële uitspraak van de Kúria waarnaar het besluit van verweerster verwijst, vaststellingen bevat die strijdig zijn met fundamentele Unierechtelijke beginselen. Hij verwijst ook naar het door verzoekster aangevoerde arrest C-254/16.  Derhalve moet, wil dit geding worden beslecht, het Unierecht worden uitgelegd.

Prejudiciële vragen:

1) Is een rechterlijke praktijk van een lidstaat verenigbaar met het Unierecht, richtlijn 2006/112/EG van de Raad (hierna: „btw-richtlijn”) (met name artikel 183 daarvan) en met het doeltreffendheidsbeginsel, het beginsel van de directe werking en het gelijkwaardigheidsbeginsel, indien op grond van die praktijk bij het onderzoek van de relevante bepalingen inzake vertragingsrente ervan wordt uitgegaan dat de nationale belastingautoriteit geen inbreuk (verzuim) heeft gemaakt – dit wil zeggen niet in gebreke is gebleven wat betreft het niet-terugvorderbare gedeelte van de btw met betrekking tot niet-betaalde aankopen van de belastingplichtigen – aangezien die autoriteit haar besluit heeft genomen toen de nationale – met het Unierecht strijdige – regel van kracht was en het Hof het in die nationale regel bepaalde vereiste pas nadien strijdig heeft verklaard met het Unierecht? Aldus heeft de nationale praktijk de toepassing van dit in de nationale regeling gestelde vereiste, dat strijdig was met het Unierecht, als nagenoeg rechtmatig aanvaard totdat de nationale wetgever het formeel heeft opgeheven.

2) Zijn een regeling en een praktijk van een lidstaat verenigbaar met het Unierecht, in het bijzonder de btw-richtlijn (met name artikel 183 daarvan), en met het doeltreffendheidsbeginsel, het beginsel van de directe werking en het gelijkwaardigheidsbeginsel, indien zij bij het onderzoek van de relevante bepalingen inzake vertragingsrente een onderscheid maken naargelang de belastingautoriteit de belasting niet heeft teruggegeven in overeenstemming met de toen geldende nationale bepalingen dan wel de belasting niet heeft teruggegeven in strijd met die bepalingen – die overigens het Unierecht schonden – en wat betreft het bedrag van de rente verschuldigd op de btw die wegens een – nadien door het Hof met het Unierecht strijdig verklaard – vereiste van het nationale recht niet binnen een redelijke termijn kon worden teruggevorderd, twee verschillende perioden bepalen, zodanig dat 
– in de eerste periode de belastingplichtigen enkel recht hebben op vertragingsrente berekend tegen de basisrentevoet van de centrale bank, aangezien de Hongaarse belastingautoriteiten niet onrechtmatig handelden door niet toe te staan dat de in de facturen opgenomen btw binnen een redelijke termijn werd terugbetaald, gelet op het feit dat de met het Unierecht strijdige Hongaarse regeling destijds nog van kracht was, terwijl
– in de tweede periode – enkel wegens de te late betaling van de vertragingsrente van de eerste periode – een rente moet worden betaald die gelijk is aan tweemaal de basisrente van de centrale bank – die in de rechtsorde van de betrokken lidstaat bij vertraging overigens steeds van toepassing is?

3) Is een praktijk van een lidstaat verenigbaar met het Unierecht, artikel 183 van de btw-richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel, wanneer die praktijk als aanvangsdatum voor de berekening van vertragingsrente (samengestelde rente of rente over rente) die volgens het recht van de lidstaat  verschuldigd is wegens de te late betaling van de vertragingsrente over de in strijd met het Unierecht ingehouden belasting (rente over de btw; in dit geval de hoofdsom), niet de oorspronkelijke datum neemt waarop de rente over de btw (hoofdsom) verschuldigd is geworden, maar een later tijdstip, met name rekening houdend met het feit dat de vordering van rente over in strijd met het Unierecht ingehouden of niet-teruggegeven belasting een subjectief, rechtstreeks uit het Unierecht afgeleid recht is?

4) Is een praktijk van een lidstaat verenigbaar met het Unierecht, artikel 183 van de btw-richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel, indien die praktijk de belastingplichtige verplicht een afzonderlijk verzoek in te dienen wanneer hij rente vordert die verschuldigd is wegens een verzuim van de belastingautoriteit, terwijl in andere gevallen voor de vordering van vertragingsrente geen dergelijke verplichting geldt, aangezien de rente dan ambtshalve wordt toegekend?

5) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is een praktijk van een lidstaat verenigbaar met het Unierecht, artikel 183 van de btw-richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel, indien die praktijk inhoudt dat samengestelde rente (rente over rente) wegens te late betaling van rente over belasting die volgens het Hof in strijd met het Unierecht is ingehouden (rente op de btw, in dit geval de hoofdsom) enkel kan worden toegekend wanneer de belastingplichtige een buitengewoon verzoek indient waarmee hij niet specifiek rente vordert, maar het bedrag van de belasting met betrekking tot niet-betaalde aankopen dat verschuldigd was op het ogenblik waarop de met het Unierecht strijdige nationale regel is ingetrokken, volgens welke de btw wegens die niet-betaling moest worden ingehouden, hoewel de rente over de btw, waarop de vordering van de samengestelde rente voor de aan het buitengewoon verzoek voorafgaande aangifteperioden is gebaseerd, reeds verschuldigd en nog niet betaald was?

6) Indien de vorige vraag bevestigend wordt beantwoord, is een praktijk van een lidstaat verenigbaar met het Unierecht, artikel 183 van de btw-richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel, wanneer die praktijk ertoe leidt dat de belastingplichtige het recht verliest op samengestelde rente (rente over rente) wegens te late betaling van rente over volgens het Hof in strijd met het Unierecht ingehouden belasting (rente over de btw, in dit geval de hoofdsom) in verband met de vorderingen van rente over de btw die niet onder de btw-aangifteperiode vielen waarop de vervaltermijn voor de indiening van het buitengewone verzoek van toepassing was, aangezien die rente reeds vroeger opeisbaar was?

7) Is een praktijk van een lidstaat verenigbaar met het Unierecht en artikel 183 van de btw-richtlijn (met name rekening houdend met het doeltreffendheidsbeginsel en het feit dat de vordering tot betaling van rente voor belastingen die ten onrechte niet zijn terugbetaald, een subjectief recht is), indien die praktijk de belastingplichtige definitief de mogelijkheid ontneemt om rente te vorderen op belasting die is ingehouden op grond van een nationale regeling die nadien strijdig is verklaard met het Unierecht en die verbood btw terug te vorderen met betrekking tot bepaalde niet-betaalde aankopen, omdat

– [krachtens die praktijk] de vordering van rente niet gegrond werd geacht op het tijdstip waarop de [teruggaaf van de] belasting kon worden geëist, daar de bepaling die later in strijd is verklaard met het
Unierecht destijds van kracht was (zodat er zich geen vertraging had voorgedaan en de belastingautoriteit gewoon het geldende recht had toegepast),
– en de vordering nadien, toen de met het Unierecht strijdig verklaarde bepaling die het recht op teruggaaf beperkte, in de interne rechtsorde was opgeheven, was verjaard?

8) Is een praktijk van een lidstaat verenigbaar met het Unierecht, artikel 183 van de btw-richtlijn en het doeltreffendheidsbeginsel, indien die praktijk de mogelijkheid om vertragingsrente te eisen over de rente over de btw (hoofdsom) – op welke rente de belastingplichtige recht heeft wegens belasting die, toen zij oorspronkelijk opeisbaar was, niet is teruggegeven ten gevolge van een nadien met het Unierecht strijdig verklaarde regel van nationaal recht – voor de volledige periode tussen 2005 en 2011 afhankelijk stelt van de vraag of de belastingplichtige thans nog teruggaaf van de btw kan vragen voor het aangiftetijdvak waarin de betrokken met het Unierecht strijdige bepaling in de interne rechtsorde is opgeheven (september 2011), hoewel de rente over de btw (hoofdsom) niet vóór dat tijdstip is betaald, en evenmin in de periode erna, tot op het tijdstip waarop de vordering bij de nationale rechter is ingesteld?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Delphi Hungary Autóalkatrész Gyártó C-654/13; Commissie/Hongarije C-274/10; Glencore Agriculture Hungary C-254/16;

Specifiek beleidsterrein: