C-129/18 SM

C-129/18 SM

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    10 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    22 mei 2018

Trefwoorden: adoptie, rechtstreekste afstammeling EU-burger, gezinslid

Onderwerp:

-           Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden etc.

Feiten:

Susana, geboren in Algerije op 27 juni 2010, is na haar geboorte verlaten door haar natuurlijke ouders. Bij akte van 22 maart 2011 is ze door de bevoegde Algerijnse autoriteiten, op basis van het ‘kefalah’ systeem, onder de voogdij geplaatst van meneer en mevrouw M. Meneer en mevrouw M hebben de Franse nationaliteit en wonen in het VK, waar meneer M als enige een vaste verblijfstitel heeft.  In oktober 2011 gaat meneer M. terug naar het VK en blijft mevrouw M in Algerije met Susana. Na een half jaar, in mei 2012 vraagt Susana toegang tot het VK als geadopteerd kind van een EU burger. Haar aar aanvraag wordt geweigerd met als reden dat het voogdijschap onder het ‘kefalah’ systeem niet erkend wordt in het nationale recht van het Verenigd Koninkrijk.  Deze weigering is de aanleiding van de beroepsprocedure.

Overweging:

Na de verwerping van het door Susana in eerste aanleg ingestelde beroep, op grond van het niet kwalificeren als juridisch of geadopteerd kind onder Brits recht en EU-recht, is zij in hoger beroep gegaan bij het Upper Tribunal (Verenigd Koninkrijk). In haar hoger beroep handhaafde het Hoger gerechtshof de beslissing dat zij geen "gezinslid" was, wel kon zij in beroep gaan op grond van het feit dat zij onder de definitie van "uitgebreid gezinslid" viel. De zaak werd derhalve terugverwezen naar de minister. De Entry Clearance Officer heeft vervolgens beroep aangetekend bij de “Court of Appeal” (England & Wales) (Civil Division). Bij arrest van 4 november 2015 heeft dat gerecht de hogere voorziening toegewezen en onder meer geoordeeld dat het hier niet moet gaan om het begrip familielid, maar om rechtstreekse afstammeling binnen de definitie “van familielid”, in de zin van artikel 2, lid 2, sub c, van richtlijn 2004/38. Susana viel volgens deze rechter, door het niet erkende adoptiesysteem, niet binnen het begrip rechtstreekse afstammeling en evenmin binnen het toepassingsgebied van artikel 2, lid 2, sub c. De hogere rechter oordeelde dat de richtlijn de lidstaten toestaat de vormen van adoptie, die zij in het kader van artikel 2, lid 2, onder c), erkennen, te beperken. Aangezien Susana niet geadopteerd is op een wijze die door de Britse wet is erkend, kon zij niet onder de artikelen van de richtlijn vallen. De Supreme Court heeft de behandleing geschorts en de volgende vragen gesteld aan het Hof.

Prejudiciële vragen: 

1.         Is een kind dat uit hoofde van „kafala” of een vergelijkbare regeling in de wetgeving van zijn of haar land van oorsprong onder de vaste wettelijke voogdij van een of meer burgers van de Unie valt, een „rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn” in de zin van artikel 2, punt 2, onder c), van richtlijn 2004/38 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, etc.
2.         Kunnen andere bepalingen van die richtlijn, met name de artikelen 27 en 35 ervan, aldus worden uitgelegd dat zij die kinderen de toegang weigeren indien deze kinderen slachtoffer van uitbuiting, mishandeling of kinderhandel zijn of dreigen te worden?
3.         Is een lidstaat die een kind dat feitelijk geen bloedverwant in neergaande lijn van een onderdaan van de Europese Economische Ruimte (EER) is, eventueel wil erkennen als „rechtstreekse bloedverwant in neergaande lijn” in de zin van artikel 2, punt 2, onder c), gerechtigd om vóór die erkenning eerst te onderzoeken of tijdens de procedures om het kind onder het gezag of de voogdij van die EER-onderdaan te plaatsen, voldoende rekening is gehouden met het belang van dit kind?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: -

Specifiek beleidsterrein: BZK; JenV