C-138/18 Estron

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    24 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    10 juni 2018

Trefwoorden: douane; gecombineerde nomenclatuur

Onderwerp:
-           Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief;
-           Verordening (EU) nr. 861/2010 van de Commissie van 5 oktober 2010 tot wijziging van bijlage I bij verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad;

Feiten:

Verweerder (Estron) is een professionele dienstverlener in de hoorapparatensector en aanverwante bedrijfssectoren. Deze zaak betreft verbindingsstukken die Estron aan producenten van hoorapparaten levert. In de periode van 08.07.2009 t/m 29.03.2012 verrichtte Estron een aantal inklaringen betreffende uit China ingevoerde verbindingsstukken. Estron deelde de goederen als delen en toebehoren van hoorapparaten voor hardhorigen, die van douanerechten zijn vrijgesteld, in onder GN-postonderverdeling 9021 90 10 van het gemeenschappelijk douanetarief. In 2012 onderwierpen de Deense belasting- en douanediensten (de SKAT) het bedrijf aan een controle en op 06.07.2012 kwamen zij tot het besluit dat de door Estron aangegeven verbindingsstukken moesten worden ingedeeld onder een andere postonderverdeling, namelijk 8544 42 90 waarvoor een douanerecht van 3,3% geldt. De SKAT rekende Estron A een bedrag van in totaal 825.150,74 DKK aan douanerechten over de gedeclareerde verbindingsstukken aan. Estron ging in beroep tegen dit besluit bij de Landsskatteret (hoogste bestuurlijke instantie voor fiscale aangelegenheden). De Landsskatteret bepaalde bij beschikking van 10.04.2013 dat de verbindingsstukken moesten worden ingedeeld onder postonderverdeling 9021 90 10. De verschuldigde douanerechten werden bijgesteld tot 0,- DKK. Daarop heeft verzoeker (het Ministerie van Financiën) de zaak aanhangig gemaakt bij de rechter in eerste aanleg, waarbij het de indeling van de verbindingsstukken aanvocht op grond dat zij hadden moeten worden ingedeeld onder postonderverdeling 8544 42 90. De zaak werd doorverwezen naar de verwijzende rechter waarbij zij momenteel in behandeling is. De partijen zijn het erover eens dat de aan de orde zijnde verbindingsstukken een “deel” van een hoorapparaat voor hardhorigen zijn in de zin van het arrest Unomedical C-152/10.

Overweging:

Estron heeft voor de verwijzende rechter uitgelegd dat de verbindingsstukken kunnen worden beschreven als geïsoleerde elektrische draad. Het feit dat de draden deel uitmaken van een hoorapparaat voor hardhorigen betekent volgens verzoeker niet dat de draden bijgevolg onder post 9021 kunnen worden ingedeeld aangezien dat afhangt van aantekening 2 onder a), op hoofdstuk 90 van het gemeenschappelijk douanetarief. Estron betwist dat de verbindingsstukken kunnen worden ingedeeld onder de door verzoeker aangevoerde post. Het feit dat is geoordeeld dat het verbindingsstuk dat in casu aan de orde is, een deel van het hoorapparaat voor hardhorigen is, sluit uit dat het als draad wordt ingedeeld. Volgens de Vestre Landsret is voldoende twijfel gerezen over de uitlegging van de in het gemeenschappelijk douanetarief opgenomen aantekeningen, waaronder de vraag naar de uitlegging van aantekening 2, onder a), op hoofdstuk 90 van het gemeenschappelijk douanetarief, gelezen in samenhang met de andere aantekeningen op het gemeenschappelijk douanetarief, zodat een verzoek om een prejudiciële beslissing bij het Hof moet worden ingediend.

Prejudiciële vragen:

1. Moet aantekening 2, onder a), op hoofdstuk 90 van de gecombineerde nomenclatuur, gelezen in samenhang met algemene regels 1 en 6 voor de uitlegging van de GN, aldus worden uitgelegd dat met „delen en toebehoren die als zodanig onder een der posten van dit hoofdstuk of van hoofdstuk 84, 85 of 91 kunnen worden ingedeeld” wordt verwezen naar goederen in de viercijferige posten van deze hoofdstukken, of moet de aantekening aldus worden uitgelegd dat zij ook verwijst naar de aanvullende aantekeningen (de eerste zes cijfers) in hoofdstukken 84, 85, 90 en 91?
2. Moeten verbindingsstukken als die aan de orde in deze zaak worden ingedeeld onder GN-postonderverdeling 8544 42 90, Gnpostonderverdeling 9021 40 00 of GN-postonderverdeling 9021 90 10?
3. Moet aantekening 1, onder m), op afdeling XVI aldus worden uitgelegd dat de opneming van een goed in hoofdstuk 90 belet dat het ook in hoofdstukken 84 en 85 wordt opgenomen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Unomedical C-152/10; Baby Dan C-272/14; Lowlands Design Holding BV C-524/11; Rohm & Haas Electronic Materials CMP Europ C-336/11; TNT Freight Management C-291/11; RUMA GmbH C-183/06.

Specifiek beleidsterrein: FIN

Gerelateerde documenten