C-145/18 Regards Photographiques

C-145/18 Regards Photographiques

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    16 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    2 juni 2018

Trefwoorden: btw; intellectueel eigendom; kunstwerken

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

Feiten:

Verzoekster (de vennootschap Regards Photographiques) heeft de bestuursrechter in eerste aanleg verzocht om kwijtschelding van de btw die haar bij naheffing is opgelegd voor de periode van 01.02.2009 t/m 31.01.2012 alsook van de daarmee samenhangende boetes. Bij vonnis van 12.11.2014 heeft de bestuursrechter in eerste aanleg dit verzoek afgewezen. Bij arrest van 21.04.2016 heeft de bestuursrechter in tweede aanleg het door verzoekster ingestelde hogere beroep verworpen. De bestuursrechter in tweede aanleg heeft de toepassing van het verlaagde tarief afgewezen op grond dat de litigieuze portretten en huwelijksfoto’s ongeacht hun kwaliteit niet van de nodige originaliteit en creatieve intentie getuigden om te kunnen worden beschouwd als foto’s die door een kunstenaar zijn genomen. Verzoekster betoogt dat de bestuursrechter in tweede aanleg blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omdat die rechterlijke instantie volgens haar enkel diende na te gaan of de litigieuze foto’s onder toezicht van de maker waren afgedrukt, of hij ze had gesigneerd en genummerd met een oplage van minder dan 30 exemplaren had verkocht. Bij hogere voorziening en aanvullende memorie verzoekt verzoekster de Conseil d’État dat arrest te vernietigen en de zaak ten gronde af te doen en haar hogere voorziening toe te wijzen.

Overweging:

De centrale vraag is of artikelen 103 en 311 van de btw-richtlijn enkel vereisen dat foto’s door hun maker worden genomen, door hem of onder zijn toezicht worden afgedrukt, gesigneerd en genummerd, met een oplage van maximaal 30 exemplaren voor alle formaten en dragers samen, om in aanmerking te komen voor het verlaagde btw-tarief. Zo ja, rijst de vraag of het de lidstaten is toegestaan om foto’s die geen artistiek karakter hebben uit te sluiten van het voordeel van het verlaagde btw-tarief. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, rijst de vraag aan welke andere voorwaarden foto’s moeten voldoen om in aanmerking te komen voor het verlaagde btw-tarief.

Prejudiciële vragen:

Moeten de artikelen 103 en 311 van richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (btw-richtlijn) en punt 7 van deel A van bijlage IX bij deze richtlijn aldus worden uitgelegd dat zij enkel vereisen dat foto’s door hun maker zijn genomen, door hem of onder zijn toezicht zijn afgedrukt, gesigneerd en genummerd, met een oplage van maximaal 30 exemplaren voor alle formaten en dragers samen, om in aanmerking te komen voor het verlaagde btw-tarief?
-           Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is het de lidstaten dan niettemin toegestaan om foto’s die voorts geen artistiek karakter hebben uit te sluiten van het voordeel van het verlaagde btw-tarief?
-           Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, aan welke andere voorwaarden dienen foto’s dan te voldoen om in aanmerking te komen voor het verlaagde btw-tarief? Moeten zij met name een artistiek karakter vertonen?
-           Moeten die voorwaarden uniform worden uitgelegd binnen de Europese Unie of verwijzen zij naar het recht van elke lidstaat en met name naar het intellectuele eigendomsrecht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: /

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal