C-147/18 Banco Mare Nostrum

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 juni 2018

Trefwoorden: oneerlijke bedingen; bevoegdheid

Onderwerp:

-           Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;

Feiten:

Op 18.12.2015 hebben verzoekers in eerste aanleg tegen Banco Mare Nostrum (hierna: bank) een vordering ingesteld tot nietigverklaring van het bodemrentebeding dat was opgenomen in de hypothecaire lening die zij waren aangegaan bij de bank, en tot terugbetaling van de sommen die de bank op grond van dat beding ten onrechte van hen had geïnd vanaf 09.05.2013. In hun verzoekschrift zetten zij uiteen dat zij op 03.04.2009 met de bank een hypotheek hebben afgesloten voor een hoofdsom van €120.000,- met het oog op de aankoop van hun woning. De overeenkomst bevatte met name het volgende beding: “de na aanpassing toepasselijke nominale jaarrente kan in geen geval hoger zijn dan 14% of lager dan 3,25%”. De rechter in eerste aanleg heeft op 17.06.2016 het door verzoekers ingestelde beroep bij vonnis toegewezen; de onverschuldigd betaalde rente moet, vermeerderd met de wettelijke rente, worden terugbetaald aan verzoekers en de bank werd verwezen in de kosten van de procedure. Overeenkomstig de toepasselijke rechtspraak konden bedragen die waren betaald vóór de bekendmaking van het arrest van de Tribunal Supremo (09.05.2013) niet worden teruggegeven. De bank heeft hoger beroep ingesteld en vordert nietigverklaring van de procedure.

Overweging:

Op 21.12.2016 heeft het Hof uitspraak gedaan in de zaak Gutiérrez Naranjo e.a. (C-154/15, C-307/15 en C-308/15). Uit dat arrest volgt dat artikel 6(1) van richtlijn 93/13 zich verzet tegen nationale rechtspraak volgens welke de terugbetalingsplicht die voortvloeit uit het in rechte vastgestelde oneerlijke karakter van een beding in een overeenkomst tussen een consument en een verkoper, in de tijd wordt beperkt tot enkel de bedragen die na de uitspraak van de beslissing waarbij in rechte het oneerlijke karakter ervan is vastgesteld, met toepassing van dat beding onverschuldigd zijn betaald. De verwijzende rechter vraagt zich af hoe dit arrest ten uitvoer moet worden gelegd in de huidige situatie waarin de rechter in eerste aanleg het oneerlijke beding heeft vastgesteld en de terugbetalingsplicht in tijd heeft beperkt. Tevens is hier van belang dat de verzoekers in eerste aanleg in casu niet hebben verzocht om terugbetaling van de bedragen die vóór de uitspraak van de rechter in eerste aanleg onverschuldigd zijn betaald.

Prejudiciële vragen:

1) Staat de vaststelling waartoe een rechter bij vonnis is gekomen, dat een oneerlijk beding niet bindend is, in de zin van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, eraan in de weg dat de rechtsgevolgen die het Hof heeft erkend in zijn arrest [van 21 december 2016, Gutiérrez Naranjo e.a., C-154/15, C-307/15 en C-308/15, EU:C:2016:980,] onverkort worden toegepast?
2) Wordt de toepassing van het gevolg van een oneerlijk verklaard beding in de zin van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten, dat erin bestaat dat op grond van dat beding ten onrechte geïnde bedragen terugbetaald moeten worden, beïnvloed, beperkt of uitgesloten door het beschikkingsbeginsel, het beginsel van bewijsvoering door de partijen, het beginsel van gezag van gewijsde en het verbod van reformatio in peius?

3) Wordt de bevoegdheid van een rechter in tweede aanleg beperkt door het feit dat het in eerste aanleg gewezen vonnis de rechtsgevolgen van de vaststelling dat het beding oneerlijk is, heeft beperkt, en dat dat vonnis niet is aangevochten door de consument, maar alleen door de verkoper die het beding heeft opgesteld, teneinde het oneerlijke karakter ervan te betwisten of, voor het geval dat het beding oneerlijk wordt verklaard, te betwisten dat die vaststelling rechtsgevolgen teweegbrengt?

4) Is een rechter in tweede aanleg ook dan bevoegd om alle rechtsgevolgen toe te passen waarin richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 en de rechtspraak in het verlengde van deze richtlijn voorzien, wanneer de consument met zijn aanvankelijke vordering niet verzoekt om toepassing van alle rechtsgevolgen die verbonden zijn aan de vaststelling dat het betrokken beding oneerlijk is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Gutiérrez Naranjo e.a. C-154/15, C-307/15 en C-308/15; Banco Español de Crédito C-618/10; Kásler en Káslerné Rábai C-26/13; Unicaja Banco en Caixabank C-482/13, C-484/13, C-485/13 en C-487/13; Elchinov C-173/09; Interedil C-396/09; Aziz C-415/11; Barclays Bank C-280/13; Kapital Portfolio C-122/14; Köbler C-224/01; Banco Primus C-421/14; Asbeek Brusse en de Man Garabito C-488/11.

Specifiek beleidsterrein: EZK; VenJ