C-16/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    21 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    7 april 2018

Trefwoorden: transport; werknemers

Onderwerp:

-           VWEU, met name de artikelen 56 en 57;
-           Richtlijn 96/71/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten;
-           Richtlijn 2014/67/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake de handhaving van richtlijn 96/71/EG betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1024/2012 betreffende de administratieve samenwerking via het Informatiesysteem interne markt;

Feiten:

De onderneming H.Kft met zetel in Boedapest, detacheerde van 2012 tot 2016 werknemers met Hongaarse nationaliteit naar Oostenrijk om daar diensten te verrichten (boordservice in treinen van de Oostenrijkse nationale spoorwegmaatschappij; hierna: ÖBB). Bij de bestreden strafbeschikkingen werd verzoeker  als bestuurder schuldig bevonden aan het feit dat H.Kft in haar hoedanigheid van werkgeefster op 28 januari 2016 bij een controle in strijd met die bepaling had gehandeld door a) de tewerkstelling van de gedetacheerde werknemers niet te hebben gemeld, b) op de plaats van tewerkstelling geen documenten beschikbaar te houden over de socialezekerheidsregistraties en c) de arbeidsovereenkomst, documenten waaruit de loonbetalingen blijken en documenten betreffende de loonschalen niet in het Duits beschikbaar te houden. De opdracht inzake het verrichten van de vermelde diensten was door de ÖBB gegeven aan de in Oostenrijk gevestigde D. GmbH, die deze wederom (via een andere in Oostenrijk gevestigde onderneming) in onderaanneming had gegeven aan H.Kft. Laatstgenoemde onderneming verrichtte de diensten met de Hongaarse werknemers in de naar Salzburg of München rijdende treinen van de ÖBB met als vertrek- of eindstation Boedapest, die onderweg op het centraal station van Wenen stopten. Verzoeker wijst erop dat de werknemers eigenlijk alle diensten, met uitzondering van die in de treinen, in Hongarije dienden te verrichten.

Overweging:

De beoordeling van de rechtmatigheid van de bestreden strafbeschikkingen hangt ervan af of de voortvloeiende meldplicht van de detacherende onderneming en haar verplichting inzake het ter beschikking houden van de genoemde documenten in een constellatie als de onderhavige verenigbaar is met het Unierecht. Die constellatie wordt gekenmerkt door het feit dat ten eerste het rijdende treinpersoneel typischerwijs erg vaak de grenzen tussen de lidstaten overschrijdt, ten tweede dat er geen contractuele verhouding bestaat tussen de opdrachtgever/dienstontvanger (ÖBB) en de dienstverlener (H.Kft), en ten derde  dat in de meeste gevallen een arbeidsovereenkomst tussen H.Kft. en de door haar
gedetacheerde werknemers ontbreekt.

Prejudiciële vragen:

1) Is richtlijn 96/71/EG van 16 december 1996 betreffende de terbeschikkingstelling van werknemers met het oog op het verrichten van diensten (hierna ook: „richtlijn”), met name artikel 1, lid 3, onder a), daarvan, ook van toepassing op het verrichten van diensten, zoals het serveren van maaltijden en dranken aan passagiers, boordservice en schoonmaakdiensten, door de werknemers van een in de lidstaat van terbeschikkingstelling (Hongarije) gevestigde dienstverlener ter uitvoering van een overeenkomst met een in de lidstaat van ontvangst (Oostenrijk) gevestigde spoorwegonderneming, indien die diensten worden verricht in internationale treinen die ook door de lidstaat van ontvangst rijden?

2) Is artikel 1, lid 3, onder a), van de richtlijn ook van toepassing wanneer de in de lidstaat van terbeschikkingstelling gevestigde dienstverlener de in de eerste prejudiciële vraag vermelde diensten niet verricht ter uitvoering van een overeenkomst met de in de lidstaat van ontvangst gevestigde spoorwegonderneming aan wie de diensten uiteindelijk ten goede komen (dienstontvanger), maar ter uitvoering van een overeenkomst met een derde, in de lidstaat van ontvangst gevestigde onderneming, die van haar kant in een contractuele verhouding (onderaanneming) met de spoorwegonderneming staat?

3) Is artikel 1, lid 3, onder a), van de richtlijn ook van toepassing wanneer de in de lidstaat van terbeschikkingstelling gevestigde dienstverlener ter verrichting van de in de eerste prejudiciële vraag vermelde diensten geen eigen werknemers inzet, maar werknemers van een andere onderneming die hem nog in de lidstaat van terbeschikkingstelling ter beschikking zijn gesteld?

4) Ongeacht de antwoorden op de eerste tot en met de derde prejudiciële vraag: Verzet het Unierecht, met name de vrijheid van dienstverrichting (artikelen 56 en 57 VWEU), zich tegen een nationale regeling uit hoofde waarvan ondernemingen die werknemers detacheren naar het grondgebied van een andere lidstaat om daar diensten te verrichten, ook verplicht zijn tot naleving van de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden in de zin van artikel 3, lid 1, van de richtlijn en de naleving van daarmee gepaard gaande verplichtingen (zoals met name de verplichting inzake het melden van de grensoverschrijdende detachering van werknemers bij een instantie van de lidstaat van ontvangst en de verplichting inzake het beschikbaar houden van documentatie betreffende de hoogte van het loon en de socialezekerheidsregistratie van de betrokken werknemers) in gevallen waarin (ten eerste) de grensoverschrijdend gedetacheerde werknemers behoren tot het rijdende personeel van een grensoverschrijdend actieve spoorwegonderneming of van een onderneming die typische diensten van een spoorwegonderneming verricht (serveren van maaltijden en dranken aan passagiers, boordservice) in treinen van de betrokken onderneming die de grenzen tussen de lidstaten overschrijden, en (ten tweede) aan de detachering ofwel helemaal geen dienstenovereenkomst of althans geen dienstenovereenkomst tussen de detacherende onderneming en de in een andere lidstaat actieve dienstontvanger ten grondslag ligt, aangezien de prestatieplicht van de detacherende onderneming ten opzichte van de in een andere lidstaat actieve dienstontvanger gebaseerd is op een onderaannemingsrelatie (onderaannemingsketen) en (ten derde) de gedetacheerde werknemer geen dienstverband heeft met de detacherende onderneming, maar met een derde onderneming die haar werknemers nog in de lidstaat van vestiging van de detacherende onderneming aan deze laatste ter beschikking heeft gesteld?


Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Vicoplus e.a. C-307/09-C-309/09; Mazzoleni en ISA C-165/98.

Specifiek beleidsterrein: SZW; IenW