C-171/18 Safeway

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    13 juni 2018

Trefwoorden: gelijke behandeling; pensioen

Onderwerp:
-           Artikel 157 VWEU (hierna: artikel 119);

Feiten:

Dit geding betreft de gelijkschakeling van uitkeringen van aangeslotenen bij de Pensioenregeling (op 16 maart 1978 per trustakte ingestelde bedrijfspensioenregeling op basis van toegezegde pensioenrechten). In het Verenigd Koninkrijk is het gebruikelijk om voor een pensioenregeling verschillende normale pensioenleeftijden (hierna: NPL’s) vast te stellen voor mannen en vrouwen. Een NPL is de in de voorschriften voor een pensioenregeling gestelde leeftijd waarop een aangeslotene met pensioen kan gaan zonder actuariële korting voor vervroegd pensioen.  In zeer veel gevallen is de NPL voor mannen bepaald op 65 en voor vrouwen op 60. Het Hof heeft in C-262/88 (hierna: Barber) geoordeeld dat die praktijk in strijd is met het beginsel van gelijke beloning vastgelegd in wat destijds artikel 119 was. Nadien heeft het Hof in C-200/91 toegelicht dat het beginsel van gelijke beloning alleen van toepassing is op pensioenrechten opgebouwd op en na de datum waarop in Barber uitspraak werd gedaan (17.05.1990). In reactie op de uitspraak in Barber wijzigden de meeste pensioenregelingen in het VK hun reglement met het oog op de gelijkschakeling van de NPL’s van aangeslotenen. De vraag is of de NPL’s naar aanleiding van de Barber-uitspraak werden gelijkgeschakeld met ingang van 1 december 1991 of met ingang van 2 mei 1996? De Pensioenregeling is altijd beheerd met als uitgangspunt dat de NPL’s per 1 december 1991 waren gelijkgeschakeld. In januari 2009 ontstond bezorgdheid of het op deze manier beheren van de Pensioenregeling voldeed aan artikel 119 en daarom werd ter opheldering van de situatie de onderhavige procedure gestart. De eiser (Safeway) is de hoofdvennootschap in het kader van de Pensioenregeling en stelt dat de NPL’s met ingang van 1 december 1991 zijn gelijkgeschakeld. De eerste verweerder (Newton) is aangesteld door de rechter in eerste aanleg (hierna: High Court) om op te treden als vertegenwoordiger van de aangeslotenen bij de Pensioenregeling in wier belang het is te betogen dat de NPL’s pas per 2 mei 1996 gelijkgeschakeld zijn. De tweede verweerder is de huidige trustbeheerder van de Pensioenregeling (trustee) die neutraal staat tegenover de uitkomst van het geding. In zijn uitspraak van 29.02.2016 oordeelde de High Court dat de Pensioenregeling pas was gelijkgeschakeld met ingang van 2 mei 1996 vanwege de werking van het Unierecht en, meer in het bijzonder, de uitspraak van het Hof in Avdel (C-408/82). In zijn arrest van 05.10.2017 was de Court of Appeal het niet eens met de conclusie van de High Court dat hij naar het Unierecht genoodzaakt was tot die uitspraak te komen. In plaats daarvan besliste de Court of Appeal dat de kwestie in dit geval vragen van Het Unierecht opwierp.

Overweging:

In een geval zoals hier waar de werkgever en de trustee een onmiskenbaar recht hebben om de NPL van vrouwelijke aangeslotenen te verhogen van 60 naar 65 met betrekking tot de gewerkte pensioenjaren op en na 1 december 1991, lijkt er een onduidelijk vraagstuk van Het Unierecht te zijn of, ten behoeve van gelijke behandeling op grond van artikel 119, de herroepelijke rechten van vrouwen, gedurende de periode dat het Barber-venster open is, als onherroepelijk moeten worden behandeld, en de rechten van mannen moeten worden verhoogd tot hetzelfde niveau van onherroepelijkheid teneinde te voldoen aan artikel 119. Een bevestigend antwoord op die vraag lijkt strijdig te zijn met het beginsel dat de nationaalrechtelijke rechten van de bevoordeelde groep tijdens de betreffende periode dienen te worden behandeld als maatstaf of enig referentiepunt. Deze vraag ontkennend beantwoorden lijkt strijdig met de uitlegging van Avdel.

Prejudiciële vragen:

Wanneer de bepalingen van een pensioenregeling naar nationaal recht bevoegdheid verlenen om door middel van wijziging van de trustakte met terugwerkende kracht de waarde van de opgebouwde pensioenrechten van zowel mannen als vrouwen te verlagen over een periode vanaf de datum van schriftelijke kennisgeving van de voorgenomen wijzigingen in de regeling tot aan de datum waarop de trustakte daadwerkelijk wordt gewijzigd, schrijft artikel 157 VWEU (voorheen en in de relevante periode artikel 119 van het Verdrag van Rome) dan voor dat de opgebouwde pensioenrechten van zowel mannen als vrouwen in die periode als onherroepelijk moeten worden beschouwd in die zin dat hun pensioenrechten niet kunnen worden verlaagd met terugwerkende kracht door uitoefening van de naar nationaal recht geldende bevoegdheid?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: D. H. Barber/Guardian Royal Exchange Assurance Group C-262/88; Coloroll Pension Trustees Ltd/Russell C-200/91; Smith/Avdel Systems Ltd C-408/82.

Specifiek beleidsterrein: SZW; JenV