C-174/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 juni 2018

Trefwoorden: vrij verkeer werknemers; belastingen; pensioenen

Onderwerp:

-           De op 17 september 1970 tussen België en Luxemburg gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting en tot regeling van sommige andere aangelegenheden inzake belastingen naar het inkomen en naar het vermogen;
-           Artikel 39 VEU;


Feiten:
Verzoekers hebben hun aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2013 ingediend. Verzoeker heeft aangeduid dat een deel van het opgegeven pensioen van Luxemburgse oorsprong is. Het overige deel van het pensioen is van Belgische oorsprong. Op 07.03.2014 is ten aanzien van verzoekers een aanslag vastgesteld voor het aanslagjaar 2013. Bij brief van 26.03.2014 hebben verzoekers aangegeven het oneens te zijn met de berekening van de belasting, omdat volgens hen de vrijstelling van verzoekers Luxemburgse pensioen daardoor niet volledig is. Verzoekers achten de berekening in strijd met de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting. Bij beslissing van 25.09.2014 heeft de gewestelijke directeur der directe belastingen te Luik dit bezwaar afgewezen. Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie op 03.12.2014, hebben verzoekers hun bezwaar gehandhaafd tegen met name de berekening van de belasting en de toepassing van de vermindering op een basis die mede het pensioen van Luxemburgse oorsprong omvat - welk pensioen evenwel volledig moet worden vrijgesteld - waardoor zij een gedeelte van dat pensioen en een gedeelte van de belastingvoordelen verliezen. Verzoekers betogen dat deze handelswijze tot een onaanvaardbare discriminatie leidt. Zij beroepen zich op het vrije verkeer van werknemers en op arrest C-303/12.

Overweging:

Bij tussenvonnis van 09.06.2016 heeft deze kamer van de rechtbank het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing. Bij beschikking van 29.11.2016 heeft de tiende kamer van het Hof de prejudiciële verwijzing niet-ontvankelijk verklaard (C-345/16). Het Hof achtte zich onvoldoende geïnformeerd over de feitelijke en juridische context van het hoofdgeding. De rechtbank wenst de hiaten op te vullen die het Hof hebben belet hem een nuttig antwoord te verschaffen om met volledige kennis van zaken over het onderhavige  geding te kunnen beslissen, meer bepaald met kennis van de aard van de betrokken belastingvoordelen, de precieze regels voor de berekening ervan en de wijze waarop verminderingen worden toegepast op de in de bronstaat ontvangen inkomsten, het verband ervan met de persoonlijke toestand en de gezinstoestand van verzoekers, en de desbetreffende relevante nationale bepalingen.
 
Prejudiciële vragen:

Staat artikel 39 van het Verdrag van de Europese Unie eraan in de weg dat de Belgische belastingregeling, meer bepaald artikel 155 WIB 92, ongeacht of circulaire Ci. RH.331/575.420 van 12 maart 2008 wordt toegepast, ertoe leidt dat verzoekers Luxemburgse pensioenen, die zijn vrijgesteld van belasting krachtens artikel 18 van de tussen België en Luxemburg gesloten Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting, in aanmerking worden genomen bij de berekening van de Belgische belasting en worden opgenomen in de belastinggrondslag voor de toekenning van de in het WIB 92 bedoelde belastingvoordelen, terwijl zij daarvan vanwege hun door de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting beoogde volledige vrijstelling geen deel zouden moeten uitmaken, en dat deze voordelen – zoals de belastingvrije som en de belastingverminderingen voor langetermijnsparen, voor met dienstencheques betaalde prestaties, voor energiebesparende uitgaven in een woning, voor uitgaven ter beveiliging van woningen tegen inbraak of brand, en voor verzoekers giften – gedeeltelijk verloren gaan, worden verminderd, of lager zijn dan wanneer verzoekers beide inkomsten van Belgische oorsprong hadden die in België belastbaar en niet vrijgesteld zijn en derhalve alle belastingvoordelen kunnen absorberen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: De Groot/Nederland C-385/00; Imfeld en Garcet C-303/12; Jacob en Lennertz C-345/16;

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal