C-179/18

C-179/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    30 april 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    16 juni 2018

Trefwoorden: ambtenarenstatuut; pensioen; militaire dienst

Onderwerp:

-           VEU artikel 4 lid 3;
-           Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn;

Feiten:

Eiser ging op 01.01.2009 met pensioen. Hij was op dat moment werkzaam als ambtenaar bij de EU sinds 16.08.1973, met een onderbreking van 1 jaar voor het vervullen van zijn militaire dienst.  Voordat eiser zijn loopbaan startte als ambtenaar bij de Europese Commissie was hij ca. drie jaar werkzaam als werknemer in België. Naar aanleiding van eisers rustpensioen kende verweerder (de Federale Pensioendienst) met ingang van 01.01.2009 een gezinspensioen werknemer toe aan eiser van €358,17 per jaar. Bij beslissing van 16.10.2012 werd dit gezinspensioen met ingang van 01.08.2013 gewijzigd in een werknemerspensioen voor alleenstaanden van €307,96 op jaarbasis, omdat de echtgenote van eiser een pensioen ontving. Bij deze beslissingen hield verweerder slechts rekening met één jaar loopbaan als werknemer, en dit op grond van de beperking tot de 'eenheid van loopbaan' voorzien in artikel 10bis van het koninklijk besluit van 21 december 19671. Daarbij nam verweerder de loopbaan van eiser als Europees ambtenaar in aanmerking als een volledige loopbaan conform de Belgische pensioenbreuk van 45/45ste, verminderd met een jaar voor de militaire dienst die eiser uitoefende. Deze militaire dienst werd noch voor het rustpensioen als werknemer noch voor het pensioen als Europees ambtenaar meegeteld. Op 31.03.2017 vroeg eiser een herberekening van zijn pensioen op basis van een arrest van het Hof (Wojciechowski C-408/14). Concreet betekent het arrest dat voor de berekening van het Belgisch pensioen, een volledige loopbaan als Europees ambtenaar niet langer als 35/35ste (of 45/45ste) in aanmerking mag worden genomen, maar wel als 35/45ste. In navolging op het arrest, nam verweerder nieuwe beslissingen waarbij het pensioen van eiser retroactief werd herberekend. Met ingang van 01.01.2009 werd een gezinspensioen werknemer toegekend aan eiser van €1.003,21 per jaar en met ingang van 01.08.2013 een pensioen als alleenstaande werknemer van €879,58. Bij de controle van de pensioenberekening stelde eiser vast dat geen rekening was gehouden met zijn periode van militaire dienstplicht. Eiser verzocht verweerder om ook deze periode in aanmerking te nemen. Verweerder stelde dat eiser niet voldeed aan de voorwaarden voor een gelijkstelling van zijn militaire dienst in het stelsel voor werknemers. Verweerder baseerde zich op artikel 34 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 en stelde dat eiser op het ogenblik van zijn militaire dienst niet als werknemer was tewerkgesteld en evenmin op gewoonlijk en hoofdzakelijke manier was tewerkgesteld geweest als werknemer gedurende ten minste één jaar in de loop van de drie jaren volgend op het einde van de periode van militaire dienst. Eiser stelde hoger beroep in tegen de beslissingen van verweerder.

Overweging:

De vraag rijst of de weigering tot gelijkstelling van de militaire dienst geen afbreuk doet aan het Statuut van de ambtenaren van de EU en het beginsel van de 'loyale samenwerking' zoals vastgelegd in artikel 4(3) VEU.

Prejudiciële vragen:

Moet het beginsel van de loyale samenwerking zoals vastgelegd in artikel 4, §3 VEU, in samenhang met het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie zoals vastgelegd in de Verordening (EEG,Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968, aldus worden uitgelegd dat het er zich tegen verzet dat de wettelijke regeling van een lidstaat niet toestaat dat bij de berekening van het rustpensioen van een werknemer op basis van zijn prestaties in die lidstaat, rekening wordt gehouden met de militaire dienst die betrokkene in die lidstaat heeft vervuld, omdat betrokkene op het ogenblik van zijn militaire dienst en ook daarna onafgebroken ambtenaar was van de Europese Unie en daardoor niet voldoet aan de voorwaarden voor een gelijkstelling zoals voorzien in de wettelijke regeling van die lidstaat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Wojciechowski C-408/14.

Specifiek beleidsterrein: SZW; BZK