C-18/18

C-18/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    26 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    12 april 2018

Trefwoorden: elektronische handel; host-diensten

Onderwerp:
-           Richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt;

Feiten:

Verzoekster was lid van het federaal parlement, fractievoorzitter van de partij van de Groenen in het parlement en federaal woordvoerder van die partij. Verweerster (Facebook Ireland Limited) exploiteert via de website www.facebook.com een sociaal netwerk. Een onder de naam “Michaela Jaskova” geregistreerde gebruiker publiceerde op 03.04.2006 op haar facebookprofiel een foto van verzoekster met een begeleidende tekst en voorzag dat artikel van de volgende commentaar: “vuile volksverraadster. Deze corrupte troela heeft in haar hele leven nog geen rooie cent door hard te werken verdiend, maar verkwist wel ons belastinggeld aan die binnengesmokkelde indringers. Wanneer wordt die groene fascistenpartij nu eindelijk eens verboden?”. Iedere Facebookgebruiker had toegang tot deze bijdrage. Bij schrijven van 07.11.2016 riep verzoekster verweerster op de post te verwijderen en de echte naam alsmede de gegevens van de gebruiker “Michaela Jaskova” bekend te maken. Verweerster gaf aanvankelijk geen gehoor aan beide verzoeken. Verweerster verwijderde het bericht binnen de geografische grenzen van Oostenrijk pas nadat zij in kennis was gesteld van de beschikking in kort geding van de rechter in eerste aanleg van 07.12.2016. Verzoekster verzocht de rechter in eerste aanleg om in kort geding verweerster bij wege van voorlopige maatregel te verbieden foto’s van verzoekster te publiceren en/of verspreiden wanneer de woordelijk identieke en/of qua strekking identieke beweringen via de begeleidende tekst worden verspreid. Verweerster repliceert dat zij louter als verlener van “host”-diensten is opgetreden. Verzoeksters eis om verweerster ook te verbieden qua strekking identieke beweringen te publiceren en/of te verspreiden, gaat volgens verweerster te ver, omdat dit zou neerkomen op een algemene ex-ante controleverplichting, die voor verleners van “host”- diensten juist niet bestaat. De rechter in eerste aanleg besloot een verbod bij voorlopige maatregel zoals gevorderd op te leggen en de rechter in hoger beroep beval verweerster met onmiddellijke ingang en totdat de procedure inzake de stakingsvordering definitief was voltooid, geen foto’s van verzoekster meer te publiceren en/of te verspreiden indien de woordelijk identieke en/of qua strekking identieke beweringen dat verzoekster een “vuile volksverraadster” en/of een “corrupte troela” en/of lid van een “fascistenpartij” is, via de begeleidende tekst worden verspreid. Verzoeksters vordering om verweerster in het algemeen ook te verbieden foto’s van verzoekster te publiceren en/of te verspreiden indien qua strekking identieke beweringen dat verzoekster een „vuile volksverraadster” en/of een „corrupte troela” en/of lid van een „fascistenpartij” is via de bijgevoegde tekst worden verspreid, werd door de rechter in hoger beroep voor het overige afgewezen.

Overweging:

De verwijzende rechter dient uitspraak te doen op het door beide partijen ingestelde beroep in Revision.
In het algemeen moet worden duidelijk gemaakt of de exploitant, nadat hij persoonlijkheidsrechten heeft geschonden door zich onrechtmatig te gedragen, tevens kan worden verplicht erop toe te zien dat verdere inbreuken op die persoonlijkheidsrechten worden voorkomen daar dit geen “algemene verplichting” tot toezicht “op doorgegeven of opgeslagen informatie” in de zin van artikel 15(1) van richtlijn 2000/31 maar een verplichting ten gevolge van concreet onrechtmatig gedrag vormt.

Prejudiciële vragen:

1. Staat artikel 15, lid 1, van richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt („richtlijn inzake elektronische handel”) algemeen gesproken in de weg aan één van de hieronder vermelde verplichtingen van een verlener van „host”-diensten die niet prompt heeft gehandeld om de onwettige informatie te verwijderen, welke verplichting erin bestaat dat hij niet alleen die onwettige informatie in de zin van artikel 14, lid 1, onder a), van de richtlijn, maar ook andere woordelijk identieke informatie: a.a. wereldwijd, a.b. in de betrokken lidstaat, a.c. van de desbetreffende gebruiker wereldwijd, of a.d. van de desbetreffende gebruiker in de betrokken lidstaat verwijdert?

2. Voor zover vraag 1 ontkennend wordt beantwoord: geldt dit telkens ook voor qua strekking identieke informatie?

3. Geldt dit ook voor qua strekking identieke informatie, zodra de exploitant kennis heeft gekregen van deze omstandigheid?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: McFadden C-484/14; SAMAB/Netlog C-360/10; L’Oréal/ebay C-324/09; Ferreira da Silva e Brito e.a. C-160/14; Google/Spanje C-131/12.

Specifiek beleidsterrein:  JenV