C-183/18 Bank BGŻ BNP Paribas

C-183/18 Bank BGŻ BNP Paribas

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    30 juni 2018

Trefwoorden: sanctie; uitvoering;

Onderwerp:
-           Kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties;


Feiten:
Op 09.07.2017 heeft het Centraal Justitieel Incassobureau van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (hierna CJIB) de verwijzende rechter verzocht om de erkenning en de tenuitvoerlegging van de beslissing van 25.11.2016, waarbij de Bank BGŻ BNP Paribas (hierna: BNP Paribas) een geldboete van €36,- is opgelegd. De geldboete is opgelegd omdat de bestuurder van een voertuig dat eigendom is van BNP Paribas op 13.11.2016 in Utrecht de toegestane maximumsnelheid van 80 km/u met 6 km/u heeft overschreden. BNP Paribas  is “op eigen verzoek niet verhoord” en is ingelicht over haar recht om de zaak te betwisten maar heeft verzuimd om tijdig beroep in te stellen. De beslissing is op 06.01.2017 definitief geworden. In andere, soortgelijke gevallen heeft de gemachtigde van BNP Paribas om afwijzing van het verzoek van de Nederlandse autoriteit verzocht aangezien Polen geen uitvoering heeft gegeven aan de bepalingen van het kaderbesluit en de Poolse wet niet voorziet in aansprakelijkheid van rechtspersonen voor overtredingen, zodat de rechter, bij gebreke van een correcte en ondubbelzinnige uitvoering van het kaderbesluit op dat gebied, het verzoek om tenuitvoerlegging moet afwijzen.

Overweging:

Uit de genoemde bepalingen van het kaderbesluit volgt dat dit ook van toepassing is op beslissingen waarbij een geldelijke sanctie wordt opgelegd aan een rechtspersoon. Bij de omzetting van het kaderbesluit heeft de Poolse wetgever echter alleen het begrip “pleger” gehanteerd, wat uitsluitend op natuurlijke personen doelt. Daardoor valt de tenuitvoerlegging van een ter tenuitvoerlegging toegezonden beslissing waarbij een geldelijke sanctie is opgelegd tegen een rechtspersoon, niet onder de werkingssfeer van de artikelen 611ff en volgende WVS. Aangezien naar Pools recht rechtspersonen niet aansprakelijk kunnen worden gesteld voor overtredingen, betekent dit dat de Poolse rechters consequent weigeren om geldelijke sancties voor overtredingen jegens rechtspersonen te erkennen en ten uitvoer te leggen. Er rijzen twijfels m.b.t. de consequenties die de nationale rechter moet verbinden aan de vaststelling dat de nationale bepaling onverenigbaar is met het kaderbesluit. Een bevestigend antwoord op de eerste vraag roept een aantal praktische moeilijkheden op, die in wezen te maken hebben met de wijze waarop de Nederlandse autoriteit de bestrafte entiteit aanduidt. In dit verband rijst de prealabele vraag hoe het begrip “rechtspersoon” in kaderbesluit 2005/214 moet worden opgevat en of dit een autonoom begrip van Unierecht is. De antwoorden op de gestelde vragen zijn van groot belang voor de Poolse rechtspraak. De Poolse rechtbanken hebben een groot aantal soortgelijke beslissingen van de Nederlandse autoriteiten die rechtspersonen betreffen ontvangen (in 2017 waren er bij de verwijzende rechter alleen al 21 dergelijke gevallen, oftewel 1/5 van het totale aantal binnen deze categorie).

Prejudiciële vragen:

1. Moeten artikel 1, onder a), artikel 9, lid 3, en artikel 20, lid 1 en lid 2, onder b), van het kaderbesluit 2005/214/JBZ van de Raad inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning op geldelijke sancties, aldus worden uitgelegd dat een ter tenuitvoerlegging toegezonden beslissing waarbij tegen een rechtspersoon een geldelijke sanctie is opgelegd, in de tenuitvoerleggingsstaat ten uitvoer dient te worden gelegd, ook indien de nationale bepalingen ter uitvoering van dit kaderbesluit niet voorzien in de mogelijkheid om een beslissing waarbij een dergelijke sanctie is opgelegd aan een rechtspersoon, ten uitvoer te leggen?

2. Dient, in geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag, het begrip „rechtspersoon” in artikel 1, onder a), en artikel 9, lid 3, van kaderbesluit 2005/214/JBZ te worden uitgelegd:
a. overeenkomstig de voorschriften van de beslissingsstaat artikel 1, onder c),
b. overeenkomstig de voorschriften van de tenuitvoerleggingsstaat artikel 1, onder c),
c. als een autonoom begrip van Unierecht, en strekt het zich mede uit tot een dochteronderneming van een rechtspersoon, ook al bezit de dochteronderneming van een rechtspersoon in de tenuitvoerleggingsstaat geen rechtspersoonlijkheid?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Popławski C-579/15;

Specifiek beleidsterrein: JenV