C-186/18

C-186/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    01 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    18 juli 2018

Trefwoorden: landbouw; termijnen

Onderwerp:
Verordening (EG) nr. 2100/94 van de Raad van 27 juli 1994 inzake het communautaire kwekersrecht;

Feiten:

Deze zaak lijkt enigszins op C-176/18. Nadorcott Protection is de houder van het plantenras Nadorcott. Verweerder (Club de Variedades Vegetales Protegidas) was belast met het beheer van de rechten van de houder van het plantenras en met het instellen van vorderingen tegen verzoekster  wegens inbreuk op die rechten. Verzoekster exploiteert sinds 2006 op een perceel een boomgaard met mandarijnen van het ras Nadorcott (4.457 bomen). Bij brief van 30.10.2007 heeft GESLIVE (voorganger van verweerder) verzoekster gesommeerd de exploitatie van dit plantenras te beëindigen, zolang niet om toestemming was verzocht. Op 30.03.2011 heeft verweerder nog een brief gezonden aan verzoekster met de vordering de exploitatie te beëindigen. Vanaf de eerste dagvaarding tot het tijdstip waarop de tweede dagvaarding werd toegezonden (30.03.2011) is meer dan drie jaar verstreken. De door verzoekster ingestelde vorderingen zijn gebaseerd op de rechten die zij ontleent aan de aanvraag voor en de registratie van het Nadorcott-plantenras bij het Europees Bureau. De registratie van dit ras verleent de houder en in voorkomend geval de licentiehouder een aantal exclusieve rechten volgens de voorwaarden die in de artikelen 13 e.v. van verordening 2100/94 zijn bepaald. De (licentie)houder heeft vanaf de bekendmaking van de registratieaanvraag tot de verlening van het kwekersrecht ook het recht om een passende vergoeding te eisen van eenieder die “een handeling verricht die hem na die tijd uit hoofde van het communautaire kwekersrecht verboden zou zijn”. De rechter in eerste aanleg heeft de vordering afgewezen op grond van verjaring. In het hoger beroep was de rechter in tweede aanleg van oordeel dat de verjaring alleen ziet op de handelingen die meer dan drie jaar vóór de vordering in kortgeding plaatsvonden, die de verjaring in november 2009 onderbrak, maar niet op de handelingen van nadien. De rechter in tweede aanleg stelde de schadevergoeding vast op een bedrag van €31.199,-. Ook werd verweerster bevolen de inbreukmakende handelingen te beëindigen, elk plantmaterial van dit ras, daaronder begrepen gedroogd materiaal, waarover zij beschikte, te verwijderen en te vernietigen, en de kop en het dictum van het vonnis op haar kosten te publiceren. Tegen deze uitspraak heeft verzoekster cassatieberoep ingesteld bij de verwijzende rechter, waarin zij bezwaar maakt tegen de uitlegging die in de uitspraak in hoger beroep met betrekking tot het beginpunt voor de berekening van de verjaringstermijn is gegeven van artikel 96 van verordening 2100/94.

Overweging:

De verwijzende rechter heeft er twijfels over of het criterium dat hij heeft gehanteerd voor het beginpunt van de berekening van de verschillende verjaringstermijnen, ook kan worden toegepast op artikel 96 van verordening 2100/94 en of dit overeenstemt met het criterium dat de gerechten van de andere lidstaten van de EU hanteren. De verwijzende rechter wenst te vernemen hoe volgens het Hof termijn van drie jaar moet worden berekend wanneer duidelijk is op welke datum de rechthebbende, nadat het kwekersrecht uiteindelijk was verleend, kennis heeft gekregen van de inbreuk en van de identiteit van de overtreding, en de inbreukmakende handelingen niet zijn onderbroken maar zijn blijven voortduren totdat rechtsvorderingen werden ingesteld, met dien verstande dat de termijn van drie jaar is verstreken sinds voor het eerst kennis was gekregen van de inbreuk.

Prejudiciële vragen:

1. Staat artikel 96 van verordening (EG) nr. 2100/94 inzake het communautaire kwekersrecht in de weg aan een uitlegging volgens welke vorderingen krachtens de artikelen 94 en 95 van deze verordening zijn verjaard wanneer sinds het tijdstip waarop de rechthebbende, nadat het kwekersrecht is verleend, kennis heeft gekregen van de inbreukmakende handeling en van de identiteit van de overtreder, de termijn van drie jaar is verstreken, hoewel de inbreukmakende handelingen hebben voortgeduurd tot het tijdstip waarop de rechtsvordering werd ingesteld?

2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, moet dan worden aangenomen dat overeenkomstig artikel 96 van verordening nr. 2100/94 de verjaring enkel intreedt met betrekking tot de inbreukmakende handelingen die buiten de termijn van drie jaar zijn verricht, maar niet met betrekking tot die welke binnen die drie jaar zijn verricht?

3. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, kan dan een rechtsvordering tot beëindiging van de inbreuk en tevens tot schadevergoeding alleen slagen met betrekking tot laatstbedoelde handelingen die binnen die drie jaar zijn verricht?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: LNV