C-194/18

C-194/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    25 juni 2018

Trefwoorden: arbeidsrecht; overgang onderneming

Onderwerp:
-           Richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen;

Feiten:

Op 23.12.2011 heeft de raad van bestuur van de eerste verweerster (Banka Koper) besloten om te stoppen met de verlening van beleggingsdiensten en -activiteiten in de zin van de wet inzake financiële instrumenten (hierna: ZTFI). Op 27.06.2012 heeft zij met de tweede verweerster (Alta Invest) een overdrachtsovereenkomst gesloten. Op 17.09.2012 heeft Banka Koper een nieuw intern reglement vastgesteld waarmee de afdeling beleggingsdiensten werd opgeheven en daarmee ook de functie van effectenhandelaar I. Verzoeker was door Banka Koper op grond van een arbeidsovereenkomst van 30.06.2011 voor onbepaalde tijd in dienst genomen als effectenhandelaar I bij de afdeling beleggingsdiensten. Nadat de functie was geschrapt werd de voormelde overeenkomst op 11.10.2012 om redenen van zakelijke aard opgezegd, net als bij alle andere werknemers van de opgeheven afdeling beleggingsdiensten. Banka Koper heeft aan allen een nieuwe arbeidsovereenkomst voor andere taken aangeboden. Verzoeker heeft het voorstel van de nieuwe overeenkomst voor andere taken bij Banka Koper niet aanvaard, omdat hem zijns inziens geen passend werk werd aangeboden. Na het verstrijken van de opzegtermijn werd zijn arbeidsovereenkomst derhalve beëindigd. Met zijn beroep in de onderhavige zaak heeft verzoeker primair gevorderd dat wordt vastgesteld dat de opzegging om zakelijke redenen van de arbeidsovereenkomst bij Banka Koper onrechtmatig is, dat hij weer bij Banka Koper in dienst wordt genomen, en dat alle uit de opgezegde arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten, van de opzegging van de arbeidsovereenkomst tot aan de nieuwe indienstneming, worden erkend. Subsidiair heeft hij gevorderd dat hij bij Alta Invest in dienst wordt genomen, en dat daarbij alle uit de opgezegde arbeidsovereenkomst voortvloeiende rechten, van de opzegging van de arbeidsovereenkomst met Banka Koper tot aan de nieuwe indienstneming bij Alta Invest, worden erkend. Bij vonnis van 28.01.2014 heeft de rechter in eerste aanleg zowel de primaire als de subsidiaire vordering van verzoeker afgewezen. De rechter in tweede aanleg heeft het vonnis van de rechter in eerste aanleg bevestigd, en het hoger beroep van verzoeker bij arrest van 25.09.2014 verworpen. De beslissing van beide rechters over de subsidiaire vordering is gebaseerd op de vaststelling dat er in casu geen overgang van een onderneming of een onderdeel van een onderneming als bedoeld in artikel 73 ZDR en richtlijn 2001/23 heeft plaatsgevonden. Bij arrest van 25.05.2015 heeft de verwijzende rechter het cassatieberoep van verzoeker verworpen. Tegen het arrest van de verwijzende rechter heeft verzoeker constitutioneel beroep ingesteld, waarbij hij heeft aangevoerd dat constitutionele rechten zijn geschonden omdat de verwijzende rechter richtlijn 2001/23 kennelijk onjuist heeft uitgelegd en zijn verzoek om een prejudiciële beslissing van het Hof zonder motivering heeft afgewezen.

Overweging:

Bij beslissing van 16.11.2017 heeft het grondwettelijk hof het arrest van de verwijzende rechter vernietigd en de zaak terugverwezen. Het heeft vastgesteld dat enkele grondrechten zijn geschonden, aangezien de verwijzende rechter in wezen geen antwoord heeft gegeven op de vragen van verzoeker over de betekenis die aan bepaalde feitelijke omstandigheden moet worden toegekend, en evenmin op de vraag of er sprake is van een overgang in de zin van richtlijn 2001/23/EG. In het kader van de nieuwe zaak in cassatie heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat om uitspraak te kunnen doen over de gegrondheid van de vordering van verzoeker, eerst antwoord moet worden gegeven op de vraag over de uitlegging van artikel 1(1) van richtlijn 2001/23 dat wil zeggen, of het feit dat de financiële instrumenten en de andere activa van de beheerde klanten, de boekhouding van de immateriële schuldinstrumenten van de klanten en de andere financiële en bijkomende diensten en het archief zijn overgedragen, als een fundamenteel aspect moet worden aangemerkt bij de beoordeling of er sprake is van de overgang van een vestiging, van een onderneming of een deel van een vestiging of een onderneming. Een antwoord op deze vraag kan niet worden afgeleid uit de rechtspraak van het Hof.

Prejudiciële vragen:

Moet artikel 1, lid 1, van richtlijn 2001/23/EG van de Raad van 12 maart 2001 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten betreffende het behoud van de rechten van de werknemers bij overgang van ondernemingen, vestigingen of onderdelen van ondernemingen of vestigingen aldus worden uitgelegd dat ook een overgang zoals die welke in de onderhavige zaak heeft plaatsgevonden, die betrekking had op de financiële instrumenten en andere activa van de klanten (in concreto, effecten), de boekhouding van de immateriële schuldinstrumenten van de klanten en andere financiële en bijkomende diensten en het archief, als rechtsovergang van een onderneming of een onderdeel van een onderneming moet worden aangemerkt, indien rekening ermee wordt gehouden dat de toevertrouwing van deze diensten aan de tweede verweerder, na de stopzetting van de financiële bemiddeling door de eerste verweerster, uiteindelijk afhing van de beslissing van de opdrachtgevers (klanten)?
– Is in de beschreven omstandigheden het aantal opdrachtgevers waaraan deze dienst, na de stopzetting van de financiële bemiddeling door de eerste verweerder, momenteel door de tweede verweerster wordt verleend, doorslaggevend?
– Heeft de omstandigheid dat de eerste verweerster haar activiteit met de opdrachtgevers voortzet als ondergeschikte commissionair en in het kader van deze functie met de tweede verweerster samenwerkt, enige invloed op de vaststelling of sprake is van een overgang van een onderneming of een vestiging?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Schmidt C-392/92; Merckx C-171/94 en C-172/94;

Specifiek beleidsterrein: SZW;