C-198/18 CeDe Group

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    10 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    26 juni 2018

Trefwoorden: insolventie; toepasselijk recht

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 1346/2000 van 29 mei 2000 betreffende insolventieprocedures;
-           Verordening (EG) nr. 593/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 inzake het recht dat van toepassing is op verbintenissen uit overeenkomst (Rome I);

Feiten:

Het Zweedse bedrijf CeDe sloot in 2010 een koopovereenkomst met het Poolse bedrijf PPUB. PPUB verbond zich ertoe goederen te leveren aan CeDe. De overeenkomst bevatte een clausule op grond waarvan het Zweedse recht van toepassing zou zijn in geval van enig geschil met betrekking tot de interpretatie van de overeenkomst. PPUB werd eind januari 2011 failliet verklaard in Polen. In juli 2011 diende PPUB’s curator bij de Zweedse gerechtsdeurwaarderinstantie een verzoek in voor een Europees betalingsbevel tegen CeDe. De zaak werd verwezen naar de rechter in eerste aanleg (tingsrätt). De curator vorderde dat CeDe gehouden was om een bedrag van 1.532.489 SEK te betalen voor goederen die door PPUB zijn geleverd aan CeDe. CeDe betwistte deze vordering omdat ze een tegenvordering op grond van verrekening had, met betrekking tot een schuld die iets meer dan 3,9 miljoen SEK betrof (compensatie voor uitgebleven leveringen en voor defecten in geleverde goederen). De curator heeft geweigerd om CeDe verrekeningsrechten toe te wijzen, door de tegenvordering van CeDe in de insolventieprocedure in Polen niet te aanvaarden. De curator voerde aan dat het recht op verrekening naar Pools recht zou moeten worden beoordeeld overeenkomstig artikel 4(1) van verordening 1346/2000. CeDe voerde aan dat de bevoegdheid tot verrekening zou moeten worden beoordeeld naar Zweeds recht aangezien de overeenkomst een rechtskeuzebeding bevatte op grond waarvan het Zweedse recht van toepassing zou zijn. De tingsrätt besloot bij tussenvonnis dat het Poolse recht van toepassing zou moeten zijn. CeDe ging tegen de uitspraak van de tingsrätt in hoger beroep bij de hovrätt. Tijdens de procedure voor de hovrätt droeg de curator zijn vordering over aan KAN, die in de procedure in de plaats van de curator is getreden. De hovrätt bevestigde de uitspraak van de tingsrätt. CeDe stelde hogere voorziening in bij de verwijzende rechter. Gedurende de procedure voor de verwijzende rechter is KAN failliet gegaan. De curator verklaarde dat de vordering van de schuldenaar geen onderdeel zou worden van de insolvente boedel. Nu is het KAN in faillissement die partij is bij deze zaak. 

Overweging:

Welk nationale recht dient te worden toegepast? Allereerst moet worden verduidelijkt of de betalingseis van de curator betreffende een vordering die vóór het faillissement is ontstaan, onder artikel 4 van verordening 1346/2000 valt. Zo ja, dan volgt de vraag of dat nog steeds het geval is wanneer de vordering, nadat deze is ingesteld, is overgedragen aan KAN en of het in dat geval relevant is dat KAN vervolgens insolvent is geworden. Als in die situatie de vordering onder artikel 4 van verordening 1346/2000 valt, rijst vervolgens de vraag hoe de vordering tot verrekening van CeDe moet worden beoordeeld en hiervoor moet de wisselwerking tussen artikel 4(2)d en artikel 6(1) worden beoordeeld. Vereist toepassing van artikel 6(1) dat het Poolse recht verrekening bij faillissement niet toestaat of hoe dan ook het recht op verrekening beperkt, dan wel of CeDe kan claimen dat het Zweedse recht van toepassing is op de beoordeling van de vordering tot verrekening, ongeacht de bepalingen van Pools recht? Het is niet duidelijk, noch verduidelijkt, hoe het Unierecht dient te worden uitgelegd in situaties zoals de onderhavige.

Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 4 van verordening nr. 1346/2000 aldus te worden uitgelegd dat het van toepassing is op een vordering die door de curator van een Pools bedrijf – dat het voorwerp is van een insolventieprocedure in Polen – jegens een Zweeds bedrijf is ingediend bij een Zweedse rechter, tot betaling van goederen die zijn geleverd op grond van een overeenkomst die de bedrijven vóór deze insolventie hebben gesloten?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, is het van enig belang dat de curator in de loop van de gerechtelijke procedures, de betwiste vordering heeft overgedragen aan een onderneming die in de procedure in de plaats van de curator is getreden?

3. Indien de tweede vraag bevestigend wordt beantwoord, is het van enig belang dat het bedrijf dat partij is geworden in de procedure, vervolgens insolvent is geworden?

4. Indien de verwerende partij in de gerechtelijke procedures in de situatie zoals weergegeven in de eerste vraag stelt dat de vordering tot betaling van de curator moet worden verrekend met een tegenvordering die voortvloeit uit dezelfde overeenkomst als de vordering, valt deze verrekeningssituatie dan onder artikel 4, lid 2, onder d)?

5. Dient de onderlinge verhouding tussen artikel 4, lid 2, onder d), en artikel 6, lid 1, van verordening nr. 1346/2000 aldus te worden uitgelegd dat artikel 6, lid 1, alleen van toepassing is wanneer het krachtens het recht van de staat waar de procedure is geopend niet mogelijk is om een verrekening toe te passen, of kan artikel 6, lid 1, ook van toepassing zijn op andere situaties, bijvoorbeeld wanneer er tussen de betrokken rechtsordes alleen een bepaald verschil is in de verrekeningsmogelijkheden, of wanneer er geen enkel verschil bestaat maar verrekening desalniettemin wordt geweigerd in de staat waar de procedure is geopend.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Seagon C-339/07; Nickel & Goeldner Spedition C-157/13

Specifiek beleidsterrein: JenV

Gerelateerde documenten