C-2/18 Lietuvos Respublikos Seimo narių grupė

C-2/18 Lietuvos Respublikos Seimo narių grupė

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het volledige dossier van het Hof van Justitie.

Termijnen: Motivering departement:    23 februari 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    9 april 2018

Trefwoorden: oneerlijke praktijken; landbouwproducten

Onderwerp:
-           verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad;

Feiten:

Verzoekers (een groep leden van het parlement; hierna: Seimas) hebben op 28.06.2016 bij het Grondwettelijk Hof een verzoek ingediend om onder meer te onderzoeken of artikelen 3 en 5 van de wet houdende een verbod op oneerlijke praktijken van marktdeelnemers bij de aankoop en verkoop van rauwe melk en het op de markt brengen van zuivelproducten (hierna: de wet) verenigbaar zijn met de eerste alinea van artikel 46 van de Litouwse grondwet. De bestreden wetgeving, die specifieke oneerlijke praktijken van marktdeelnemers verbiedt, beperkt het recht van de partijen om een contract met betrekking tot de aan- en verkoop van rauwe melk te sluiten teneinde door middel van een akkoord de essentiële elementen van dat contract vast te stellen. Volgens het betoog beschermt een dergelijke wettelijke regeling niet de grondwettelijke contractvrijheid en is deze dus in strijd met de eerste alinea van artikel 46 van de grondwet. Volgens een schriftelijke verklaring ingediend door een belanghebbende partij, een lid van de Seimas, is het beginsel van contractvrijheid niet absoluut en mag het worden beperkt om onder meer het algemene belang te beschermen en eerlijkheid en billijkheid te waarborgen. Aangezien in Litouwen de onderhandelingspositie tussen producenten en verwerkers (kopers) van rauwe melk niet even sterk is, zijn de verplichte regels in de artikelen 3 en 5 van de wet opgesteld om de wettelijke rechten en rechtmatige belangen van de zwakkere contractpartij - de producenten van rauwe melk - te beschermen. Terwijl de zaak werd voorbereid voor de terechtzitting voor het Grondwettelijk Hof, zijn schriftelijke adviezen ontvangen van onder meer het departement Europees recht van het Litouwse ministerie van Justitie en de Litouwse raad voor de mededinging. Het departement Europees recht voert aan dat volgens artikel 148(4) van verordening 1308/2013 het beginsel van vrijheid van onderhandeling tussen partijen van toepassing is op contracten voor de levering van melk en onder meer ook op het vaststellen van de prijs van de melk. Een dergelijke nationale regeling, op grond waarvan de onderhandelingspositie van melkverkopers en -kopers wordt beperkt, is onverenigbaar met artikel 148(4) van de verordening dat bepaalt dat de partijen in alle vrijheid mogen onderhandelen over de aankoopprijs van rauwe melk. De raad voor de mededinging heeft opgemerkt dat er voorwaarden moeten worden gesteld zodat de verkopers en kopers van rauwe melk zelf de aankoopprijzen van rauwe melk of de criteria voor de bepaling van zulke prijzen kunnen bepalen. De aankoopprijs van rauwe melk wordt geregeld door de bepalingen van artikel 3(3) punten 1 en 3 van de wet, op grond waarvan het kopers van rauwe melk verboden is de aankoopprijs op ongerechtvaardigde wijze te verlagen, en de bepalingen van artikel 5 van de wet, op grond waarvan kopers van rauwe melk bij het Litouws agentschap voor de reglementering van de landbouw en voedingsmiddelen (hierna: reglementeringsagentschap) redenen moeten opgeven voor de verlaging van de aankoopprijs met meer dan 3% en enkel de prijs mogen verlagen na toestemming van het reglementeringsagentschap. Die prijs wordt dus niet vastgesteld door een akkoord tussen de contractpartijen. Volgens de raad voor de mededinging is dit een inbreuk op het beginsel van vrijheid van onderhandeling tussen partijen.

Overweging:

Om enige twijfel weg te nemen over de verenigbaarheid van artikelen 3 en 5 van de wet met artikel 148(4) van de verordening, moet de verwijzende rechter in deze zaak betreffende de grondwet vaststellen of artikel 148(4) van de verordening aldus kan worden uitgelegd dat het, om de onderhandelingspositie van producenten van rauwe melk te versterken, oneerlijke handelspraktijken te voorkomen en rekening te houden met bepaalde bijzondere structurele kenmerken van de sector melk en zuivelproducten in de lidstaat en veranderingen in de melkmarkt, niet verbiedt om een nationaal wettelijk regelgevingskader vast te stellen dat de vrijheid van de contractpartijen beperkt om over de aankoopprijs van rauwe melk te onderhandelen.


Prejudiciële vragen:

1. Kan artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat het, om de onderhandelingspositie van producenten van rauwe melk te versterken, oneerlijke handelspraktijken te voorkomen en rekening te houden met bepaalde bijzondere structurele kenmerken van de sector melk en zuivelproducten in de lidstaat en veranderingen in de melkmarkt, niet verbiedt om een nationaal wettelijk regelgevingskader vast te stellen dat de vrijheid van de contractpartijen om over de aankoopprijs van rauwe melk te onderhandelen in die zin beperkt, dat het een koper van rauwe melk verboden is gedifferentieerde aankoopprijzen voor rauwe melk te betalen aan verkopers van rauwe melk van dezelfde groep, ingedeeld naargelang de hoeveelheid verkochte melk, die niet tot een erkende organisatie van melkproducenten behoren, voor rauwe melk met dezelfde kwaliteit en samenstelling als die welke langs dezelfde weg aan de koper wordt geleverd, zodat de partijen dus geen andere aankoopprijs voor rauwe melk kunnen overeenkomen op basis van andere factoren?

2. Kan artikel 148, lid 4, van verordening nr. 1308/2013 aldus worden uitgelegd dat het, om de onderhandelingspositie van producenten van rauwe melk te versterken, oneerlijke handelspraktijken te voorkomen en rekening te houden met bepaalde bijzondere structurele kenmerken van de sector melk en zuivelproducten in de lidstaat en veranderingen in de melkmarkt, niet verbiedt om een nationaal wettelijk regelgevingskader vast te stellen dat de vrijheid van de contractpartijen om over de aankoopprijs van rauwe melk te onderhandelen in die zin beperkt, dat het een koper van rauwe melk verboden is de aankoopprijs van rauwe melk op ongerechtvaardigde wijze te verlagen en dat een verlaging van meer dan 3% enkel mogelijk is indien een door de overheid gemachtigde instantie oordeelt dat die verlaging gerechtvaardigd is?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; LNV