C-201/18 Mydibel

C-201/18 Mydibel

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    9 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    25 juni 2018

Trefwoorden: btw; fiscale neutraliteit; gelijke behandeling

Onderwerp:

            Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Verzoekster (Mydibel) is onderworpen aan de btw ter zake van de vervaardiging van aardappelderivaten.

Zij is eigenaar van meerdere gebouwen ten aanzien waarvan zij de belastingen die zijn betaald over de bouw-, verbouwings- of renovatiefacturen volledig heeft afgetrokken. Om haar liquiditeit te verhogen, heeft verzoekster op 01.10.2009 twee “sale-and-lease-back”-transacties afgesloten met de ING en de KBC Bank. Na een btw-controle die betrekking had op de periode van 01.01.2009 t/m 31.12.2010, heeft de belastingadministratie in het kader van het herzieningsmechanisme geweigerd in te stemmen met de aftrek van de btw die oorspronkelijk op de gebouwen in kwestie in mindering was gebracht op grond van de op 01.10.2009 door verzoekster afgesloten sale-and-lease-back-overeenkomst. Op 18.09.2012 werd een regularisatieopgave ter goedkeuring voorgelegd aan verzoekster en op 22.11.2013 werd een proces-verbaal opgemaakt dat op dezelfde datum samen met de regularisatiebeslissing werd betekend. De administratie heeft het totale bedrag van €1.363.971,20 ontvangen. Bij dagvaarding van 01.04.2014 heeft verzoekster bij de rechtbank in eerste aanleg beroep ingesteld tot nietigverklaring van de regularisatiebeslissing en van het proces-verbaal van 22.11.2013, tot verklaring voor recht dat de btw-bedragen, de geldboeten en de gevorderde rente niet verschuldigd waren, en tot verwijzing van de Belgische Staat in de kosten van de procedure. Bij vonnis van 13.10.2015 is het verzoek ontvankelijk en gedeeltelijk gegrond verklaard, geoordeeld dat de geldboete niet verschuldigd was, de Belgische Staat veroordeeld tot terugbetaling aan verzoekster van alle bedragen die hij uit hoofde van de nietig verklaarde geldboete heeft ontvangen, vermeerderd met de vertragingsrente tegen het wettelijk tarief, de vordering van verzoekster voor het overige afgewezen en de kosten van de procedure verrekend. Verzoekster heeft vervolgens hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Overweging:

Verzoekster stelt o.a. dat de herziening van de btw in strijd is met het beginsel van de neutraliteit van de btw en met het beginsel van gelijke behandeling of met het doeltreffendheidsbeginsel, omdat zij niet wordt ontlast van de in het kader van haar belaste activiteit betaalde btw en anders wordt behandeld dan andere concurrerende belastingplichtigen (C-63/04). De Belgische Staat stelt daarentegen dat de verrichte regularisatie de eerbiediging van dit beginsel waarborgt, aangezien verzoekster met volledige kennis van zaken en onder gebruikmaking van de contractsvrijheid transacties heeft verricht die niet aan belasting waren onderworpen, terwijl het gemeenschappelijke btw-stelsel de volkomen neutraliteit van de belastingdruk op alle economische activiteiten waarborgt, mits deze activiteiten in beginsel zelf aan de heffing van btw zijn onderworpen (C-174/08, C-184/04, en C-435/05). De verwijzende rechter acht het voor de beslechting van het onderhavige geding noodzakelijk om de onderstaande prejudiciële vraag voor te leggen aan het Hof.

Prejudiciële vragen:

Moeten de artikelen 14, 15, 168, 184, 185, 187 en 188 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd en toegepast dat er sprake is van een herziening/regularisatie van de btw op een onroerend investeringsgoed die oorspronkelijk correct is afgetrokken, wanneer dit onroerend investeringsgoed het voorwerp was van een ,sale-and-lease-back’-transactie (lease-backovereenkomst), gelet op het volgende:

-           de ,sale-and-lease-back’ bestaat uit de gecombineerde en gelijktijdige verlening van een recht op erfpacht (een tijdelijk zakelijk recht) door de belastingplichtige aan twee financiële instellingen en een leasing door deze twee financiële instellingen aan de belastingplichtige;
-           deze ,sale-and-lease-back’-transactie vormt een zuiver financiële transactie teneinde de liquiditeit van de belastingplichtige te verhogen;
-           de ,sale-and-lease-back’-transactie (lease-backovereenkomst) was niet aan btw onderworpen;
-           het onroerend investeringsgoed is in eigendom van de belastingplichtige gebleven en is zowel vóór als na de transactie op ononderbroken en duurzame wijze voor de belastbare activiteit van de belastingplichtige gebruikt.

Is een uitlegging en toepassing van bovengenoemde bepalingen die leidt tot een herziening/regularisatie van de oorspronkelijk afgetrokken btw in overeenstemming met het beginsel van de neutraliteit van de btw en/of het beginsel van gelijke behandeling?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Centralan C-63/04; EON Aset Menidjmunt OOD C-118/11; Part Service C-425/06; Construction Danmark C-174/08; Uudenkaupungin kaupunki C-184/04; Hansgeorg Lennartz/Finanzamt München C-97/90; Investrand C-435/05.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal