C-203/18 Deutsche Post et L

C-203/18 Deutsche Post et L

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    30 juni 2018

Trefwoorden: postbezorging, vervoer, arbeidsrecht

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, zoals gewijzigd bij verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van verordening (EEG) nr. 3821/85 en tot wijziging van verordening (EG) nr. 561/2006;
-           Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad van 20 december 1985 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer;
-           Richtlijn 97/67/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 1997 betreffende gemeenschappelijke regels voor de ontwikkeling van de interne markt voor postdiensten in de Gemeenschap en de verbetering van de kwaliteit van de dienst.

Feiten:

Eerste verzoekster (hierna: Deutsche Post) verstrekt onder meer postdiensten. Tweede verzoeker werkt bij Deutsche Post als vervoersmanager van de vestiging in Bonn. Deutsche Post biedt ook universele diensten aan in de zin van richtlijn 97/67. Hieronder valt het vervoer van pakketten met een maximumgewicht van 20 kg. In de dagelijkse praktijk worden echter ook zwaardere pakketten mee vervoerd. Deutsche Post is van mening dat zij als leverancier van universele diensten de uitzonderingsbepaling van §18(1) FPersV kan inroepen, ondanks het vervoer van deze extra pakketten die niet onder de universele dienst vallen, en dat zij daarom niet is onderworpen aan de verplichting om als ondernemer de voorschriften inzake rijtijden, onderbrekingen en rusttijden van bestuurders te doen naleven. De bestuursrechterin eerste aanleg wees dit af en oordeelde dat er voldaan moet zijn aan de voorwaarde dat de voertuigen “uitsluitend” worden gebruikt voor het bezorgen van zendingen in het kader van de universele dienst. Iets anders kan niet worden opgemaakt uit de bepalingen van artikel 13(1)d van verordening 561/2006, in nationaal recht omgezet bij de uitzonderingsbepaling van §18(1) FPersV. Hierop stelden verzoekers beroep in bij de verwijzende rechter. Verzoekers zijn van mening dat de uitzonderingsbepalingen geen afzonderlijke postdiensten/-bezorgingen als uitgangspunt hebben maar vooral de voertuigen. Een ‘gesplitste’ toepassing van de uitzonderingsbepalingen op afzonderlijke delen van een voertuiglading is uitgesloten. Daarnaast zou de strikte uitlegging afbreuk doen aan de met deze verordening beoogde ontlasting van universele diensten. Verweerder (Land Nordrhein-Westfalen) stelt dat het juridische standpunt van verzoekers er op neerkomt dat alleen al het vervoer van een afzonderlijk pakket dat onder de universele dienst valt, de verplichting opheft om de voornoemde voorschriften van sociale aard na te komen. Dit resultaat kan de Uniewetgever niet voor ogen hebben gehad.

Overweging:

Voor een antwoord op de vraag of Deutsche Post in casu ertoe was en is verplicht om de maatregelen te treffen voor de naleving van de rijtijden, onderbrekingen en rusttijden in het wegvervoer, moet eerst worden nagegaan of Deutsche Post de uitzonderingsbepaling van §18(1) FPersV kan inroepen. Aangezien de Duitse wetgever deze bepaling de volledige reikwijdte wilde verlenen van de uitzonderingsbepaling van artikel 13(1)d van verordening 561/2006, acht de verwijzende rechterlijke instantie het vooral relevant hoe de onderliggende Unierechtelijke uitzonderingsbepaling zelf moet worden uitgelegd. Met het oog daarop wenst de verwijzende rechter de prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen.

Prejudiciële vragen:

1) Moet de uitzonderingsbepaling in artikel 13, lid 1, onder d), van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006, zoals gewijzigd bij artikel 45, punt 2, van verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014, aldus worden uitgelegd dat zij alleen betrekking heeft op voertuigen of combinaties van voertuigen die uitsluitend worden ingezet voor postbezorging in het kader van de universele dienst, of kan ook aan die bepaling zijn voldaan wanneer de voertuigen of combinaties van voertuigen overwegend of voor een – op andere wijze bepaald – deel worden ingezet voor postbezorging in het kader van de universele dienst?

2) Moet in het kader van de onder 1) genoemde uitzonderingsbepaling bij de beoordeling of voertuigen of combinaties van voertuigen uitsluitend of eventueel overwegend of voor een – op andere wijze bepaald – deel worden ingezet voor postbezorging in het kader van de universele dienst, worden afgegaan op het algemene gebruik van een voertuig of combinatie van voertuigen of van het concrete gebruik van een voertuig of combinatie van voertuigen voor één welbepaalde rit?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Karuse C-222/12; British Gas C-116/91; Air Berlin C-290/16; FlibTravel International SA C-253/16.

Specifiek beleidsterrein: SZW; EZK