C-208/18

C-208/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    14 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    30 juni 2018

Trefwoorden: consument; rechterlijke bevoegdheid

Onderwerp:

-           Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken;
-           Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten (MiFID);

Feiten:

Verweerster (FIBO Group Holdings Ltd) is een commercieel effectenmakelaarskantoor naar het recht van Cyprus, gevestigd in Cyprus. Verzoekster (Petruchová) is een natuurlijke persoon woonachtig in Tsjechië. Op 02.10.2014 hebben de partijen op afstand een raamovereenkomst gesloten met als doel verzoekster in staat te stellen transacties te verrichten op FOREX, de internationale valutawisselmarkt, door middel van het sluiten van op zichzelf staande overeenkomsten (CFD’s). Artikel 30 van de raamovereenkomst bevatte een afspraak dat, mocht tussen partijen een geschil ontstaan, de Cyprische rechter internationale rechtsbevoegdheid heeft. Op 03.10.2014 sloot verzoekster een CFD met verweerster, speculerend op de stijging van de USD ten opzichte van de JPY. In het handelssysteem van verweerster ontstonden lange rijen met orders als gevolg van een snelle stijging in de koers van USD; het gevolg hiervan voor de verwerking van orders was dat het handelssysteem 16 seconden reactietijd nodig had voor het aankopen van het gevraagde bedrag. Deze vertraging en de hiermee samenhangende verandering in de wisselkoers op de FOREX-valutamarkt resulteerde erin dat de winst van verzoekster op het CFD werd verlaagd met $8.927,90. Verzoekster beschouwt zichzelf als consument in deze contractuele relatie, op grond waarvan zij tot de slotsom komt dat de Tsjechische rechter bevoegd is in de zaak. Ingevolge verordening 1215/2012 heeft een forumkeuzebeding dat met een consument is gesloten voordat er een geschil is ontstaan, geen rechtsgevolg. De Tsjechische rechter in eerste aanleg heeft het geding beëindigd wegens het ontbreken van internationale rechtsbevoegdheid. De rechtbank oordeelde dat verzoekster geen consument is en dat het forumkeuzebeding van artikel 30 van de raamovereenkomst derhalve geldig was. Verzoekster heeft namelijk CFD’s gesloten om te voldoen aan haar persoonlijke behoeften, beschikt over de kennis en expertise die essentieel is voor het sluiten van CFD’s, handelde met de bedoeling winst te maken en was gewaarschuwd voor de betreffende risico’s en de ongeschiktheid van CFD’s voor niet-professionele beleggers. In haar beslissing op het beroep van verzoekster bekrachtigde de Vrchní soud v Olomouci de beslissing van de rechtbank in eerste aanleg. Verzoekster stelde tegen die uitspraak cassatieberoep in bij de verwijzende rechter.

Overweging:

In zaak C-375/13 besliste het Hof over een vraag die vergelijkbaar is met de vraag in deze zaak. In de onderhavige zaak vereiste de raamovereenkomst echter actief gedrag van verzoekster, in de vorm van het sluiten van CFD’s via haar orders, de opbrengst van de belegging is dus rechtstreeks afhankelijk van het gedrag van verzoekster. De vraag rijst of de conclusies in zaak C-375/13 over de status van de belegger als consument kunnen worden doorgetrokken naar andere zaken over beleggingen door natuurlijke personen, en daarmee ook naar deze zaak. Gelet op de specifieke aard van de activiteit in de onderhavige zaak en de aanmerkelijke verschillen met vragen die reeds door het Hof  zijn beantwoord in verband met de interpretatie van het begrip “consument”, vindt de verwijzende rechter het nodig om deze zaak voor te leggen aan het Hof. Een antwoord op de prejudiciële vraag is noodzakelijk voor een beslissing die in de onderhavige zaak moet worden genomen over de vraag of de Tsjechische rechter al dan niet internationale rechtsbevoegdheid heeft.

Prejudiciële vragen:
Moet artikel 17, lid 1, van verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken aldus worden uitgelegd dat een persoon, zoals verzoekster in  het hoofdgeding, die handelt op FOREX, de internationale valutawisselmarkt, vanwege het actief plaatsen van zijn eigen orders, zij het via een derde die zich beroepsmatig met die handel bezighoudt, op grond van die bepaling als consument moet worden beschouwd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Česká spořitelna C-419/11; Kolassa C-375/13; Hobohm C-297/14; Gruber C-464/01; Schrems C-498/16; Benincasa C-269/95; Costea C-110/14;

Specifiek beleidsterrein: JenV