C-210/18 WESTbahn Management

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    15 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    1 juli 2018

Trefwoorden: vervoer; spoorwegen; infrastructuur

Onderwerp:
-           Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte, met name artikel 31 en de bijlagen I en II;
-           Richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap;
-           Verordening (EEG) nr. 2598/70 van de Commissie van 18 december 1970 betreffende de vaststelling van de inhoud van de verschillende posten van de boekhoudkundige schema’s bedoeld in bijlage I bij verordening (EEG) nr. 1108/70 van de Raad van 4 juni 1970;

Feiten:
Verweerder (ÖBB-Infrastruktur AG) is een infrastructuurbeheerder en beheert het grootste deel van het Oostenrijkse spoorwegnetwerk. Verzoeker (WESTbahn Management) is een spoorwegonderneming, die diensten verricht op het vlak van het passagiersvervoer en daarvoor bij verweerder treinpaden en stops in treinstations bestelt. Bij richtlijn 2012/34 is het zogenaamde minimumtoegangspakket gewijzigd. Partijen twisten over de vraag of passagiersperrons moeten worden gekwalificeerd als dienst die thuishoort in het minimumtoegangspakket dan wel als dienstvoorziening. Die kwalificatie is doorslaggevend voor de beoordeling van de toegestane hoogte van de vergoeding voor het gebruik van passagiersperrons. Verweerder is van mening dat passagiersperrons ook na de omzetting van richtlijn 2012/34 moeten worden beschouwd als ‘dienstvoorzieningen’. De Uniewetgever noch de Oostenrijkse wetgever beoogde volgens verweerder het minimumtoegangspakket tot passagiersperrons in passagiersstations uit te breiden. Aanvullende diensten, zoals perrons voor het in- en uitstappen van passagiers, moeten worden gekwalificeerd als diensten/dienstvoorzieningen, aangezien zij niet nodig zijn voor een passerende trein. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het gebruik van passagiersperrons na de omzetting van richtlijn 2012/34 deel uitmaakt van het minimumtoegangspakket. Concreet impliceert dit dat passagiersperrons (die strikt moet worden onderscheiden van een station als geheel met uiteenlopende doeleinden) moet worden beschouwd als deel van de spoorweginfrastructuur, aangezien een spoorwegonderneming zonder toegang tot passagiersperrons geen passagiers kan vervoeren.

Overweging:
Vóór de inwerkingtreding van de nationale wet tot omzetting van richtlijn 2012/34 werden passagiersperrons beschouwd als een dienstvoorziening. Door de toevoeging (bij richtlijn 2012/34) van het nieuwe punt “gebruik van de spoorweginfrastructuur” aan de lijst van de in het kader van het minimumtoegangspakket te verlenen diensten, rijst de vraag wat hieronder precies moet worden begrepen. Indien het begrip een zelfstandige betekenis dient te hebben, moet het meer bestrijken dan de loutere traject-infrastructuur, aangezien het “recht gebruik te maken van de toegewezen capaciteit” als dienst die in het kader van het minimumtoegangspakket moet worden verleend, reeds het gebruik van de infrastructuur voor het rijden tussen twee plaatsen omvat.  Aangezien het Hof tot dusver nog geen gelegenheid had om zich over vergelijkbare vragen te uiten, wordt het in het kader van de onderhavige verwijzing verzocht om een prejudiciële beslissing.

Prejudiciële vragen:
1. Dient punt 2, onder a), van bijlage II bij richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (PB 2012 L 343, blz. 32) aldus te worden uitgelegd dat onder de daar vermelde „passagiersstations, de gebouwen en andere voorzieningen daarvan” de infrastructuurelementen „passagiersperrons” in de zin van het tweede gedachtestreepje van bijlage I bij die richtlijn vallen?
2. Indien de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord: Dient punt 1, onder c), van bijlage II bij voornoemde richtlijn aldus te worden uitgelegd dat het daar vermelde „gebruik van de spoorweginfrastructuur” het gebruik van passagiersperrons in de zin van het tweede gedachtestreepje van bijlage I bij die richtlijn omvat?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: WESTbahn Management C-136/11;

Specifiek beleidsterrein: IenW;

Gerelateerde documenten