C-211/18 Idealmed III

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    07 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    24 juli 2018

Trefwoorden: btw; publiekrechtelijke rechtspersonen

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

Feiten:

Verzoekster (Idealmed III) is een besloten kapitaalvennootschap met beperkte aansprakelijkheid en met winstoogmerk. Verzoekster ontplooit haar economische activiteit door middel van de exploitatie van vijf gezondheidscentra waarin zij een ruim assortiment aan gezondheidsdiensten aanbiedt. De prijzen die van toepassing zijn op de gezondheidsdiensten die verzoekster verricht, zijn van tevoren vastgelegd en worden in ieder geval vergoed, ongeacht of verzoekster al dan niet btw toepast op de verrichte prestaties. De diensten die verzoekster verricht aan de gebruikers van de openbare subsystemen in de gezondheidssector hebben dezelfde prijs als die welke aan deze gebruikers in rekening wordt gebracht door ziekenhuizen die eveneens overeenkomsten en akkoorden met de bedoelde publieke systemen hebben gesloten. Verzoekster heeft op 06.01.2012 haar melding van de aanvang van de activiteiten ingediend, waarin zij verklaarde dat zij haar bedrijfsactiviteiten op 01.01.2012 had aangevat en wenste te worden opgenomen in de heffingsregeling voor de btw ‘normale kwartaalheffing op aangifte’, ofschoon zij met ingang van 01.01.2014 is overgegaan op maandelijkse btw-betalingen. Ten gevolge van deze keuze betaalde verzoekster vanaf de aanvang van haar activiteiten btw tegen het verlaagde tarief van de belasting over de gezondheidsdiensten die zij verrichte, en tegen het algemene tarief van 23% over de overige verrichte diensten (bedrijfsruimten en beheer van een parkeergelegenheid). Verzoekster bracht de btw die zij had betaald over de aanschaf van de goederen en diensten die zij nodig had voor de uitoefening van haar activiteiten in mindering. De belasting- en douanedienst (hierna: AT) onderwierp verzoekster aan een gedeeltelijke inspectie van de btw over de periode van april 2014 tot juni 2016 en kwam daarin tot de conclusie dat, in overeenstemming met de artikelen 20 en 23 van het btw-wetboek, verzoekster in 2014 een bedrag van €822.218,35, in 2015 een bedrag van €838.020,79 en in 2016 een bedrag van €380.410,70 onterecht had afgetrokken. In het litigieuze tijdvak was meer dan twee derde van de gebruikers van verzoekster begunstigde van een openbaar subsysteem in de gezondheidssector waarmee verzoekster een overeenkomst of akkoord had gesloten of afnemer van een of meerdere gezondheidsdiensten in het kader van de via de regionale gezondheidsinstantie met de staat  gesloten overeenkomst. De AT legde diverse naheffingen op voor het tijdvak april 2014 tot en met november 2016. Verzoekster heeft beroep ingesteld bij de verwijzende rechter, waarbij zij verzoekt dat de rechtmatigheid van de aanvullende btw-heffingen, van de heffing van rente op de niet-aangegeven bedragen en vertragingsrente, aan een beoordeling wordt onderworpen en, indien wordt vastgesteld dat de bedoelde heffingen in de fiscale jaren 2014 tot en met 2016 binnen de werkingssfeer van de btw-vrijstelling vallen, dat de AT de onterecht geheven en aan de staat betaalde btw, ten belope van €2.308.274,14, terugbetaalt en verzoekster schadeloosstelt voor de gestelde bankgarantie.

Overweging:

In deze zaak is de vraag aan de orde of een privaatrechtelijke handelsvennootschap die overeenkomsten inzake de verrichting van gezondheidsdiensten heeft gesloten met de staat en met publiekrechtelijke rechtspersonen, handelingen verricht of overgaat tot het verrichten van handelingen onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor publiekrechtelijke lichamen, wat de toepassing van de btw-vrijstelling en de mogelijkheid om te kiezen voor vrijstelling of heffing betreft.

Prejudiciële vragen:

1) Verzet artikel 132, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de „btw-richtlijn”), zich ertegen dat een ziekenhuis dat eigendom is van een privaatrechtelijke handelsvennootschap die overeenkomsten voor de verrichting van gezondheidsdiensten heeft gesloten met de staat en met publiekrechtelijke rechtspersonen, geacht wordt zijn handelingen te verrichten onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor de in genoemde wetgeving bedoelde publiekrechtelijke lichamen, wanneer de volgende voorwaarden vervuld zijn:
– meer dan 54,5 % van de omzet, met inbegrip van de bedragen die zijn gefactureerd aan de betrokken begunstigde gebruikers, wordt gerealiseerd in het kader van met overheidsinstanties en openbare subsystemen in de gezondheidssector gesloten overeenkomsten en akkoorden, tegen prijzen die zijn vastgelegd in die overeenkomsten en akkoorden;
– meer dan 69 % van de gebruikers is begunstigde van een openbaar subsysteem in de gezondheidssector of afnemer van diensten die worden verricht in het kader van met overheidsorganen gesloten overeenkomsten;
– meer dan 71 % van de medische handelingen wordt verricht in het kader van met overheidsorganen en openbare subsystemen in de gezondheidssector gesloten overeenkomsten, en
– de ontplooide activiteiten dienen een belangrijk algemeen belang?

2) Verzetten artikel 391 en/of het beginsel van bescherming van verworven rechten en bescherming van het gewettigd vertrouwen, het gelijkheidsbeginsel, het non-discriminatiebeginsel, het neutraliteitsbeginsel en het beginsel van niet-vervalsing van de mededinging met betrekking tot gebruikers en belastingplichtigen die publiekrechtelijke lichamen zijn, gelet op het feit dat Portugal er overeenkomstig artikel 377 van de btw-richtlijn voor heeft gekozen om de handelingen van niet in artikel 132, lid 1, onder b), van deze richtlijn genoemde ziekenhuizen vrijgesteld van btw te houden, Portugal genoemde belastingplichtigen de mogelijkheid biedt om te kiezen voor belasting van deze handelingen overeenkomstig artikel 391 van de richtlijn, mits zij gedurende een termijn van ten minste vijf jaar binnen deze heffingsregeling blijven, en Portugal erin voorziet dat zij zich slechts weer kunnen onderwerpen aan de vrijstellingsregeling indien zij dat uitdrukkelijk te kennen geven, zich ertegen dat de Autoridade Tributária e Aduaneira de toepassing van de vrijstellingsregeling oplegt voordat genoemde termijn is verstreken, namelijk vanaf het ogenblik dat zij van oordeel is dat de belastingplichtige is overgegaan tot het verrichten van diensten onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor publiekrechtelijke lichamen?

3) Verzetten genoemd artikel 391 van de richtlijn en/of de voornoemde beginselen zich ertegen dat een nieuwe wet de toepassing van de vrijstellingsregeling oplegt aan belastingplichtigen die op een eerder tijdstip hebben gekozen voor de heffingsregeling, voordat de bedoelde termijn van vijf jaar is verstreken?

4) Verzetten genoemd artikel 391 van de richtlijn en de voornoemde beginselen zich tegen een regeling die bepaalt dat een belastingplichtige die voor toepassing van de heffingsregeling heeft gekozen omdat hij op het tijdstip waarop hij voor deze mogelijkheid koos, geen gezondheidsdiensten verrichte onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor publiekrechtelijke lichamen, in die regeling kan blijven wanneer hij overgaat tot de verrichting van dergelijke diensten onder sociale voorwaarden die vergelijkbaar zijn met die welke gelden voor publiekrechtelijke lichamen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: CopyGene C-262/08; Dornier C-45/01; Kügler C-141/00; Zimmermann C-174/11; L.u.P. C-106/05; Zoological Society of London C-267/00; Stichting C-348/87; Kingscrest Associates y Montecello C-498/03; Eurodental C-240/05; Rudolf Maierhofer C-315/00; Adidas C-223/98; Kvaerner C-191/99; Oude Luttikhuis en anderen C-399/93; Velker International C-185/89; D’Ambrumenil C-307/01; Kingscrest Associates en Montecello C-498/03; Haderer C-445/05; Canterbury Hockey Club en anderen C-253/07; Stichting C-348/87; Bulthuis-Crzffloen C-453/93; Institute of the Motor Company C-149/97; CPP C-349/96; Cregg C-216/97; Commissie/Ierland C-358/97; Velker International C-185/89; Stockholm Lindôpark C-150/99; Commissie/Italië C-203/87; Commissie/Nederland C-235/85; Commissie/Duitsland 107/84; Haderer C-445/05; Canterbury Hockey Club en anderen C-253/07; Don Bosco Onroerend Goed C-461/08; SDC C-2/95; Kvaerner C-473/08.

Specifiek beleidsterrein: fin-fiscaal