C-212/18 Prato Nevoso Termo Energy

C-212/18 Prato Nevoso Termo Energy

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    22 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    8 juli 2018

Trefwoorden: afvalstoffen; biomassa;

Onderwerp:

-           Richtlijn 2001/77/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt;
-           Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen;
-           Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG.

Feiten:

Verzoeker (de vennootschap Prato Nevoso Termo Energy) exploiteert een centrale voor de productie van warmte en elektriciteit in de gemeente Frabosa Sottana (provincie Cuneo). De centrale wordt nu gestookt op methaangas. Op 08.11.2016 heeft verzoeker bij de provincie Cuneo een vergunning aangevraagd, in de zin van wetsbesluit 387 (uitvoering van richtlijn 2001/77), om de centrale te mogen stoken op een andere brandstof; vloeibare biomassa. De producent mag de olie verhandelen wanneer die bepaalde fysisch-chemische eigenschappen heeft die in de vergunning zijn omschreven en met de precisering dat de olie mag worden verhandeld als “end of waste” (eindeafvalfase) in de zin van artikel 184 ter van wetsbesluit 152 (milieuvoorschriften) waarbij de producent moet kunnen garanderen dat het definitieve gebruik van het product gedocumenteerd traceerbaar is en in de handelsdocumenten de vermelding moet opnemen: “product herwonnen uit afvalstoffen voor gebruik op de interne markt voor de productie van biodiesel”. Na de beoordeling op de bijeenkomst van de gezamenlijke betrokken diensten, is de vergunning geweigerd omdat de plantaardige olie die het bedrijf als brandstof wil gebruiken niet lijkt te kunnen vallen onder de lijst in deel V, bijlage X van wetsbesluit 152 (voorschriften ter bescherming van de lucht en reductie van de uitstoot in de atmosfeer). Het bevoegde bestuursorgaan heeft geoordeeld dat er geen “wettelijke grondslag” voor het gebruik van het product is en dat  “de plantaardige olie die men wil gebruiken, niet als brandstof maar als afvalstof dient te worden beschouwd”. Verzoeker heeft zich tot de verwijzende rechter gewend en onder meer aangevoerd dat de weigering van de vergunning in strijd is met de beginselen van richtlijn 2008/98/EG en de regelgeving van de Unie betreffende afvalstoffen, alsook met richtlijn 2009/28.

Overweging:

De verwijzende rechter twijfelt of het geldende Italiaanse stelsel in strijd is met de doeleinden en beginselen zoals die in de richtlijnen zijn vastgelegd, zowel waar het om afvalstoffen als waar het om bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen gaat.

Prejudiciële vragen:

1) Staan artikel 6 van richtlijn 2008/98/EG en in ieder geval het evenredigheidsbeginsel in de weg aan een nationale wettelijke regeling zoals artikel 293 van wetsbesluit nr. 152/2006 en artikel 268 onder eee- bis) van wetsbesluit nr. 152/2006, op grond waarvan, ook in het kader van een vergunningsprocedure voor een centrale gestookt op biomassa, vloeibare biomassa die voldoet aan de technische eisen die daarvoor gelden en waarnaar vraag is voor gebruik als brandstof voor productiedoeleinden, als afvalstof  moet worden beschouwd, indien en zolang genoemde vloeibare biomassa niet is opgenomen in bijlage X, deel II, afdeling 4, paragraaf 1, bij deel V van wetsbesluit nr. 152 van 3 april 2006, en dit ongeacht of is beoordeeld of er een negatief effect op het milieu is en of er in het kader van de vergunningsprocedure sprake was van enige betwisting van de technische eigenschappen van het product?

2) Staan artikel 13 van richtlijn 2009/28/EG en in ieder geval de beginselen van evenredigheid, transparantie en vereenvoudiging in de weg aan een nationale wettelijke regeling als artikel 5 van wetsbesluit nr. 28/2011 voor zover daarin, voor het geval waarin de indiener van een aanvraag verzoekt om een vergunning voor het gebruik van biomassa als brandstof in een centrale die uitstoot in de atmosfeer teweegbrengt, geen regeling is opgenomen ter coördinatie met de vergunningprocedure voor een dergelijk gebruik als brandstof zoals voorzien in wetsbesluit nr. 152/2006, bijlage X bij deel V, en daarin ook geen mogelijkheid is opgenomen om de voorgestelde oplossing in het kader van een  geïntegreerde vergunningsprocedure en in het licht van vooraf vastgestelde technische specificaties in concreto te beoordelen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-241/12; C-195/2012;

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW