C-224/18 Budimex

C-224/18 Budimex

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    30 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    16 juli 2018

Trefwoorden: btw; tijdstip verschuldigdheid

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Het geschil is gerezen naar aanleiding van een verzoek van het bedrijf Budimex (hierna: verzoeker) om een ruling met betrekking tot het tijdstip van verschuldigdheid van de btw voor diensten op het gebied van bouw en bouw-montage. De kern van het geschil betreft de vraag wanneer de belasting over de betrokken dienst nu eigenlijk wordt verschuldigd: wanneer de betrokken werkzaamheden daadwerkelijk worden verricht, dan wel wanneer de verrichte werkzaamheden door de aanbestedende dienst worden aanvaard in het certificaat van oplevering? De reikwijdte, het tijdspad en de vergoeding van de bouwwerkzaamheden zijn overeengekomen door de investeerder en de aannemer op grond van de FIDIC-voorwaarden. In zijn ruling van 15.10.2014 heeft de minister van Financiën het standpunt van verzoeker betreffende het tijdstip van verschuldigdheid deels bevestigd. Voor het overige heeft de minister van Financiën vastgesteld dat bepalingen van een overeenkomst op grond waarvan een onderneming zich tot het verrichten van bouwwerkzaamheden verbindt, niet relevant zijn voor de vaststelling van het tijdstip van verschuldigdheid van belasting. Het tijdstip van verschuldigdheid voor de verrichte werkzaamheden op het gebied van bouw en bouw-montage zou het moment zijn waarop de onderneming de factuur uitreikt en daarin de werkzaamheden documenteert of, het moment waarop de factuur voor deel-werkzaamheden wordt uitgereikt. Bij beslissing van 30.07.2015 heeft de bestuursrechter, in aansluiting op het standpunt van de minister van Financiën in de bestreden uitlegging, het beroep van verzoeker verworpen. De rechter heeft aangegeven dat aangezien de nationale wetgever de verschuldigdheid van belasting voor diensten op het gebied van bouw en bouw-montage in verband heeft gebracht met de uitreiking van de factuur en hij het tijdstip van uitreiking van de factuur in verband heeft gebracht met de verrichting van de dienst, de daadwerkelijke dienstverrichting beslissend zal zijn voor het antwoord op de vraag wanneer de diensten op het gebied van bouw en bouw-montage worden verricht. De rechter is daarbij ingegaan op het feit dat moeilijk kan worden omschreven waarin deze “daadwerkelijke verrichting van de diensten” nu eigenlijk bestaat. Bij de bepaling daarvan zou moeten worden gekeken naar de concrete reikwijdte van de bestelde werkzaamheden. In haar beroep in cassatie tegen deze beslissing heeft verzoeker verzocht om deze in haar geheel nietig te verklaren. Daartoe voerde zij een schending van het materieel recht aan, aangezien onterecht zou zijn aangenomen dat in de specifieke situatie waarin verzoeker zich bevindt, de “verrichting” van de betrokken dienst – als gevolg waarvan er btw verschuldigd wordt – alleen zou kunnen slaan op het tijdstip waarop deze dienst “daadwerkelijk” wordt verricht.

Overweging:

Gelet op de twijfels die zich in het kader van de bepalingen van de btw-richtlijn voordoen met betrekking tot de belasting van diensten op het gebied van bouw en bouw-montage, heeft de verwijzende rechter geoordeeld dat hij over zal gaan tot het stellen van prejudiciële vragen.

Prejudiciële vragen:

Is er voor bij een transactie betrokken partijen die zijn overeengekomen dat het voor de betaling van de vergoeding voor werkzaamheden op het gebied van bouw en bouw-montage van essentieel belang is dat de verrichting daarvan door de aanbestedende dienst wordt aanvaard in een certificaat van oplevering, sprake van diensten die krachtens een dergelijke transactie worden verricht in de zin artikel 63 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1, zoals gewijzigd) op het tijdstip waarop:
- de werkzaamheden op het gebied van bouw en bouw-montage daadwerkelijk worden verricht
of
- deze werkzaamheden door de aanbestedende dienst worden aanvaard in een certificaat van oplevering?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Field Fisher Waterhouse C-392/11; BGŻ Leasing C-224/11; Wojskowa Agencja Mieszkaniowa C-42/14; Massachusetts Institute of Technology C-431/04; Petrosian C-19/08; BLV Wohn- und Gewerbebau GmbH C-395/11; Tolsma C-16/93; Kennemer Golf C-174/00.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal