C-225/18 Grupa Lotos

C-225/18 Grupa Lotos

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    29 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    15 juli 2018

Trefwoorden: btw; neutraliteitsbeginsel

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;
-           De Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Verzoekster (Grupa Lotos) heeft haar statutaire zetel in Polen en is daar tevens onbeperkt belastinglichtig.  Verzoekster verwerft onder andere accommodatie- en cateringdiensten voor haar werknemers alsook voor werknemers van andere bedrijven, waaraan zij deze diensten doorverkoopt. De centrale vraag is hier of verzoekster in de gevallen waarin zij accommodatie- en cateringdiensten verwerft teneinde deze door te verkopen (door te factureren) aan andere btw-plichtigen, gerechtigd is tot aftrek van de voorbelasting volgens de algemene regels? Verzoekster vindt van wel. Uit artikel 8(2)a  van de btw-wet volgt dat een Lotos-groep die in eigen naam diensten verwerft met het oog op de latere wederverkoop daarvan, als dienstverlener wordt beschouwd. Volgens de belastingautoriteit was het standpunt van verzoekster onjuist. Zij verwees daarbij naar artikel 88(1).4b van de btw-wet waarin wordt bepaald dat het recht van aftrek of teruggaaf van de voorbelasting niet van toepassing is op door de belastingplichtige verworven accommodatie- en cateringdiensten, met uitzondering van bereide maaltijden voor passagiers die worden aangeschaft door belastingplichtigen die passagiersvervoersdiensten aanbieden. Derhalve zou verzoekster niet gerechtigd zijn tot aftrek van de voorbelasting. Verzoekster ging in beroep en verzocht de betwiste individuele interpretatie nietig te verklaren. De rechter heeft het beroep verworpen en was van mening dat de belastingautoriteit de bepalingen van van de btw-wet correct had uitgelegd. De rechter stelde vast dat deze bepaling geen onderscheid maakt tussen situaties waarin de verwerver van de accommodatie- en cateringdiensten als eindverbruiker optreedt en situaties waarin hij deze diensten verwerft met het oog op de wederverkoop ervan. Verzoekster stelde vervolgens beroep in cassatie in en stelde dat, aangezien de accommodatie- en cateringdiensten met btw zullen worden belast wanneer zij door verzoekster worden doorverkocht, ook de verwerving ervan een aan btw onderworpen handeling vormt. Daarom zou verzoekster ingevolge artikel 66(1) van de btw-wet gerechtigd zijn tot aftrek van de btw bij de verwerving van de diensten. Mede hierom zou de beperking van het recht op btw-aftrek - artikel 88(1).4 van de btw-wet - hier niet van toepassing zijn voor zover dit recht daarin wordt uitgesloten met betrekking tot accommodatie- en cateringdiensten. Een andere zienswijze zou indruisen tegen het beginsel van fiscale neutraliteit en zou leiden tot een dubbele btw-heffing op één en dezelfde dienst (bij de wederverkoop wordt immers de bruto waarde ervan belast).

Overweging:

In deze zaak gaat het er onder meer om of een belastingplichtige die accommodatie- en cateringdiensten verwerft teneinde deze vervolgens door te verkopen aan een andere belastingplichtige op grond van artikel 86(1) van de btw-wet gerechtigd is tot aftrek van de voorbelasting of niet, gelet op de beperking van artikel 88(1)4 waarvan de invoering ruimte laat voor een standstillclausule.

Prejudiciële vragen:

Verzetten artikel 168 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1, zoals gewijzigd) en de beginselen van neutraliteit en evenredigheid zich niet tegen een regeling als die van artikel 88, lid 1, punt 4, van de ustawa o podatku od [Or. 2] towarów i usług van 11 maart 2004 (Dz. U. 2011, nr. 177, volgnr. 1054, zoals gewijzigd; momenteel Dz. U. 2017, nr. 1221, zoals gewijzigd), welke het recht van belastingplichtigen op aftrek of teruggaaf van de voorbelasting uitsluit in het geval van door hen verworven accommodatie- en cateringdiensten, met uitzondering van bereide maaltijden voor passagiers die worden aangeschaft door belastingplichtigen die passagiersvervoersdiensten aanbieden, ook wanneer deze wijzigingen in de wet zijn ingevoerd op grond van artikel 17, lid 6, van de Zesde richtlijn (77/388/EEG) van de Raad van 17 mei 1977 betreffende de harmonisatie van de wetgevingen der lidstaten inzake omzetbelasting – Gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde: uniforme grondslag (PB 1977, L 145, blz. 1, zoals gewijzigd)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Van Gend en Loos 26/62; Simmenthal 106/77; Ciola C-224/97; Cura Anlagen C-451/99; Mohsche C-193/91; Turn- und Sportunion Waldburg C-246/04; Rompelman 268/83; Ampafrance en Sanofi C-177/99 en C-181/99; Magoora C-414/07; Oasis East C-395/09; Royscot e.a. C-305/97; Charles en Charles-Tijmens C-434/03; C-177/99 en C-181/99.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal