C-226/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    30 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    16 juli 2018

Trefwoorden: btw; douane; antidumping

Onderwerp:

-           Verordening (EEG) nr. 918/83 van de Raad van 28 maart 1983 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen;
-           Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: douanewetboek);
-           Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende bescherming tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn;
-           Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (hierna: douanevrijstellingverordening);
-           Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap;
-           Besluit 2013/423/EU van de Commissie van 2 augustus 2013 tot aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumpingprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen en wafers) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China;
-           Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1238/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot instelling van definitieve antidumpingrechten op fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen), van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China;
-           Uitvoeringsbesluit 2013/707/EU van de Commissie van 4 december 2013 tot bevestiging van de aanvaarding van een verbintenis die is aangeboden in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedure betreffende de invoer van fotovoltaïsche modules van kristallijn silicium en de belangrijkste componenten daarvan (cellen) van oorsprong uit of verzonden uit de Volksrepubliek China voor de periode waarin de definitieve maatregelen worden toegepast;

Feiten:

Verzoekster die een op- en overslagbedrijf in de haven van Hamburg exploiteert, komt op tegen de heffing van een antidumpingrecht en een compenserend recht op fotovoltaïsche modules. Zij heeft op 21.08.2014 twee leveringen van dergelijke modules (hierna: goederen) opgeslagen in haar pakhuis en heeft ze aangegeven voor tijdelijke opslag. De goederen waren door Wuxi vervaardigd en verzonden. Zij waren bestemd voor SF Suntech, een met Wuxi verbonden onderneming. Bij brief van 11.09.2014 heeft verweerder (Haupztollamt Hamburg-Hafen) verzoekster geïnformeerd dat de goederen aan het einde van de opslagtermijn op 10.09.2014 nog geen nieuwe douanebestemming hadden gekregen en heeft haar gesommeerd de voor invoer vereiste documenten over te leggen. Bij brief van 26.09.2014 heeft verzoekster een verbintenisfactuur overgelegd, waarmee Wuxi de goederen aan SF Suntech factureert. Bij besluit van 24.11.2014 heeft verweerder onder andere een antidumpingrecht en een compenserend recht vastgesteld. Aangezien de goederen vóór het verlopen van de opslagtermijn geen nieuwe douanebestemming hadden gekregen, was overeenkomstig artikel 204(1)a van het douanewetboek een douaneschuld bij invoer ontstaan. Tegen dat besluit heeft verzoekster bezwaar aangetekend, dat in wezen zonder resultaat is gebleven, en vervolgens beroep ingesteld bij de verwijzende rechter. In het kader van de  bezwaarprocedure heeft verzoekster bij brief van 19.05.2015 een gecorrigeerde verbintenisfactuur overgelegd. Aangezien de goederen aan SF Suntech dienden te worden geleverd, is de tenuitvoerlegging van het aangevochten besluit in ruil voor een zekerheidsstelling opgeschort, zodat de goederen konden worden geleverd.

Overweging:

Aangezien de vrijstellingen van de uitvoeringsverordeningen alleen gelden voor het in het vrije verkeer brengen, terwijl de douaneschuld in het onderhavige geval wegens een plichtsverzuim is ontstaan overeenkomstig artikel 204(1) van het douanewetboek, zou verzoekster een beroep moeten kunnen doen op een bepaling waarmee de genoemde vrijstellingen van douanerechten eveneens toepasselijk worden verklaard op de douaneschuld. Het is de vraag of artikel 212 bis van het douanewetboek ook ziet op vrijstellingen van douanerechten die niet op artikel 184 van het douanewetboek zijn gebaseerd, maar op een verordening. M.b.t. de tweede vraag is er twijfel omdat de uitvoeringsverordeningen uitdrukkelijk alleen het in het vrije verkeer brengen van goederen regelen. De vrijstelling van rechten is alleen van toepassing in het geval waarin een douaneschuld ontstaat in de zin van artikel 204 douanewetboek, wanneer “aan de overige voorwaarden voor de toekenning van [...] de vrijstelling is voldaan.” Het is de vraag hoe deze voorwaarden moeten worden uitgelegd bij het ontstaan van een douaneschuld. De derde prejudiciële vraag betreft het beslissende tijdstip voor het overleggen van een verbintenisfactuur en een verbinteniscertificaat voor uitvoer in geval van toepassing van artikel 212 bis van het douanewetboek. Voor zover stukken die bij het ontstaan van de douaneschuld nog niet beschikbaar waren, alsnog kunnen worden ingediend, rijst de vraag of de verbintenisfactuur aan de vereisten van de uitvoeringsverordeningen voldoet. Mocht het Hof de vierde prejudiciële vraag ontkennend beantwoorden, dan moet worden achterhaald of de in de bezwaarprocedure overgelegde verbintenisfactuur, die onbetwistbaar aan de formele vereisten voldoet, in aanmerking mag worden genomen.

Prejudiciële vragen:

1. Ziet artikel 212 bis van het douanewetboek op de vrijstelling van een antidumpingrecht overeenkomstig artikel 3, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 respectievelijk op de vrijstelling van een compenserend recht overeenkomstig artikel 2, lid 1, van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013?

2. Indien de eerste prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: is bij toepassing van artikel 212 bis van het douanewetboek op het geval waarin een douaneschuld ontstaat in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek wegens overschrijding van de termijn overeenkomstig artikel 49, lid 1, van het douanewetboek, voldaan aan de in artikel 3, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en in artikel 2, lid 1, onder a), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 opgenomen voorwaarde, wanneer de onderneming, die gelieerd is met de in de bijlage bij uitvoeringsbesluit 2013/707/EU genoemde onderneming – die de desbetreffende goederen heeft vervaardigd, verzonden en gefactureerd – ,weliswaar niet als importeur van de desbetreffende goederen is opgetreden en evenmin ervoor heeft gezorgd dat zij in het vrije verkeer werden gebracht, maar toch voornemens was dat te doen en de onderneming was waaraan de desbetreffende goederen ook daadwerkelijk werden geleverd?

3. Indien de tweede prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: indien artikel 212 bis van het douanewetboek wordt toegepast op het geval waarin een douaneschuld ontstaat in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek wegens overschrijding van de termijn overeenkomstig artikel 49, lid 1, van het douanewetboek, mogen een verbintenisfactuur en een verbinteniscertificaat voor uitvoer in de zin van artikel 3, lid 1,onder b) en c), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en in de zin van artikel 2, lid 1, onder b) en c), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 dan binnen een door de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 53, lid 1, van het douanewetboek gestelde termijn alsnog worden overgelegd?

4. Indien de derde prejudiciële vraag bevestigend wordt beantwoord: voldoet een verbintenisfactuur overeenkomstig artikel 3, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013, die niet uitvoeringsbesluit 2013/707/EU maar besluit 2013/423/EU vermeldt, in de omstandigheden van het hoofdgeding en rekening houdend met de algemene rechtsbeginselen, aan de voorwaarden van punt 9 van bijlage III bij uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en van punt 9 van bijlage 2 bij uitvoeringsverordening nr. 1239/2013?

5. Indien de vierde prejudiciële vraag ontkennend wordt beantwoord: indien artikel 212 bis van het douanewetboek wordt toegepast op het geval waarin een douaneschuld ontstaat in de zin van artikel 204, lid 1, van het douanewetboek wegens overschrijding van de termijn overeenkomstig artikel 49, lid 1, van het douanewetboek, mag een verbintenisfactuur in de zin van artikel 3, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1238/2013 en in de zin van artikel 2, lid 1, onder b), van uitvoeringsverordening nr. 1239/2013 dan in de beroepsprocedure tegen de vaststelling van de douaneschuld alsnog worden overgelegd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-371/09; Baltic Agro C-3/13; Isaac International C-371/09; Tigers C-156/16; Hemming e.a. C-316/15; Verband Sozialer Wettbewerb C-19/15;

Specifiek beleidsterrein: FIN; FIN-fiscaal