C-231/18 NK

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    18 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    4 juli 2018

Trefwoorden: vervoer; vee;

Onderwerp:

-           Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad;
-           Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en van de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer;

Feiten:

Op 08.11.2016 reed RW, met een vrachtwagen met aanhangwagen geladen met mestvarkens, naar een slachthuis. De rit zou niet langer dan 100 km zijn (afstand tussen de landbouwer en het slachthuis). Het voertuig en de aanhanger behoren toe aan NK, die als groothandelaar in dieren van landbouwers dieren koopt en deze dieren vervolgens vervoert naar slachthuizen waaraan hij ze doorverkoopt. De geladen varkens waren op dezelfde dag van een landbouwer gekocht. De bestuurder had – met medeweten en toestemming van NK – de bestuurderskaart niet ingevoerd. NK is van mening dat voor het vervoer naar het slachthuis door de landbouwer die de dieren verkocht, de uitzondering van §18(1).16 van de Fahrpersonalverordnung (verordening betreffende rijdend personeel) gold, zodat hij en zijn bestuurder geen bestuurderskaarten hoefden te gebruiken. De rechter in eerste aanleg heeft NK tot een geldboete van €750,- veroordeeld, omdat hij heeft toegestaan en heeft opgedragen om zonder bestuurderskaart te rijden. NK komt op tegen dit vonnis en is van mening dat uit de uitlegging van het begrip plaatselijke markt blijkt dat daaronder ook een individuele boerderij valt. Zelfs volgens de uitlegging van de rechter in eerste aanleg staat de bepaling het vervoer van levende dieren van een landbouwer naar een veemarkt en van een veemarkt naar een slachthuis toe. Wanneer de individuele landbouwer levende dieren binnen een straal van 100 km naar de regionale veemarkt mag vervoeren en de koper van het slachtvee de levende dieren van de regionale veemarkt binnen een straal van 100 km verder naar het slachthuis mag vervoeren, dan mag de koper de levende dieren a fortiori binnen een straal van 100 km rond het bedrijf van de landbouwer naar het slachthuis vervoeren wanneer de tussenstap van de markt wordt overgeslagen. De rechter in eerste aanleg heeft daarentegen geoordeeld dat uit de uitlegging van het begrip plaatselijke markt blijkt dat daaronder geen individuele boerderij valt. De bepaling mag niet ruim worden uitgelegd zodat de onderhavige situatie – rechtstreeks vervoer van de producent (landbouwer) naar de gebruiker (slachthuis) – daaronder zou vallen.

Overweging:

In principe geldt voor het voertuig van NK de uit artikel 3 van verordening 165/2014 voortvloeiende verplichting om een tachograaf te gebruiken. Volgens artikel 3(2) van deze verordening mogen de lidstaten de in artikel 13(1 en 3) van verordening 561/2006 genoemde voertuigen evenwel uitsluiten van de toepassing van verordening 165/2014. Duitsland heeft gebruikgemaakt van deze mogelijkheid. De uitkomst van het onderhavige rechtsgeding hangt af van het antwoord op de vraag hoe artikel 13(1)p van verordening 561/2006 moet worden begrepen. Aangezien de uitlegging van het begrip “markt” niet zodanig duidelijk is dat er geen ruimte is voor redelijke twijfel en ook nog niet het voorwerp van een beslissing van het Hof is geweest, wordt de zaak aan het Hof voorgelegd met het verzoek om beantwoording van de prejudiciële vragen.

Prejudiciële vragen:

Kan een groothandelaar in vee die levende dieren koopt van een landbouwer en deze dieren vervoert naar een binnen een afstand van ten hoogste 100 km gelegen slachthuis waaraan hij ze verkoopt, zich beroepen op de uitzondering van artikel 13, lid 1, onder p), van verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer – „voertuigen die voor het vervoer van levende dieren van de boerderijen naar de plaatselijke markten en omgekeerd of van de markten naar de plaatselijke slachthuizen gebruikt worden binnen een straal van ten hoogste 100 km” – omdat er bij de aankoop door de landbouwer sprake is van een „markt” in de zin van deze bepaling of het veebedrijf zelf als een „markt” moet worden aangemerkt?

Indien het niet om een „markt” in de zin van deze bepaling gaat: Kan een groothandelaar in vee die levende dieren koopt van een landbouwer en deze dieren vervoert naar een binnen een straal van ten hoogste 100 km gelegen slachthuis waaraan hij ze verkoopt, met overeenkomstige toepassing van de voornoemde bepaling, zich op die uitzondering beroepen?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: EZK; LNV; IenW

Gerelateerde documenten