C-233/18

C-233/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    18 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    4 juli 2018

Trefwoorden: asiel; opvang; bescherming;

Onderwerp:

-           Richtlijn 2013/33/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming;
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikelen 1, 3, 4 en 24;
-           EVRM, artikel 3;

Feiten:

H (Afghaanse nationaliteit) heeft als niet-begeleide minderjarige op 23.12.2015 een asielaanvraag ingediend in België en kreeg een voogd toegewezen. De voogd zorgt er in België o.a. voor dat de  overheden de minderjarige een passende huisvesting bieden. Op 18.04.2016 was H betrokken in een grootschalig (gewapend) conflict in het opvangcentrum. H werd als één van de aanstokers van het conflict uitgesloten van het recht op opvang gedurende 15 dagen (beslissing van 19.04.2016). Deze beslissing van de Centrumdirecteur van het opvangcentrum werd op 21.04.2016 bevestigd door de directeur-generaal van Fedasil (Federaal Agentschap voor de opvang van Asielzoekers). H verbleef enkele nachten in een park (19.4-21.4 en 24.4-1.5). Op 25.04.2016 heeft de voogd van H een verzoekschrift neergelegd bij de arbeidsrechtbank (Antwerpen) ter opschorting van de uitsluiting. De vordering werd afgewezen wegens gebrek aan spoedeisendheid omdat H niet kon aantonen zich op straat te bevinden. Op 05.07.2016 heeft de voogd de beslissingen van 19.04.2016 en 21.04.2016 betwist voor de arbeidsrechtbank te Brussel. In het verzoekschrift werd gevorderd dat de rechtbank zou oordelen dat Fedasil ertoe gehouden was garanties te voorzien in verband met zijn menselijke waardigheid en verder werd een morele schadevergoeding van €1,- gevorderd. Bij vonnis van 21.02.2017 werd de vordering als ongegrond afgewezen omdat H alleen een morele schadevergoeding vorderde. Bij verzoekschrift van 27.03.2017 heeft de voogd hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis en bij verzoekschrift van 11.12.2017 heeft de inmiddels meerderjarige H het geding in eigen naam hervat. H voert aan dat er sprake is van een schending van artikel 3 EVRM doordat een minderjarige asielzoeker gedurende een periode van bijna 14 dagen van iedere bijstand uitgesloten werd en aan zijn lot werd overgelaten. Het feit dat een persoonlijke gedraging aan de basis ligt van de maatregel, laat niet toe af te wijken van de bescherming van dit artikel. Volgens Fedasil was de genomen maatregel noodzakelijk omdat het om een zeer ernstige verstoring van de orde ging waarbij een honderdtal personen met gebruik van wapens elkaar te lijf gingen. De opvangrichtlijn sluit volgens Fedasil het opleggen van sancties, ook aan kwetsbare groepen, niet uit. Het is omwille van de minderjarigheid dat de uitsluiting beperkt werd tot een periode van 15 dagen en dat H zich reeds een dag vroeger kon aanbieden om materiële hulp te ontvangen.

Overweging:

Kunnen de sancties die genomen worden bij ernstige inbreuken op de regels met betrekking tot de opvangcentra en bij ernstige vormen van geweld, in het algemeen nog leiden tot een tijdelijke (of definitieve) uitsluiting uit de materiële opvangvoorzieningen? Indien artikel 20 van de richtlijn aldus gelezen moet worden dat een uitsluiting uit de opvangvoorzieningen alleen mogelijk is in de gevallen van leden 1-3 en niet in het kader van een sanctiemaatregel, volstaat dit voor de conclusie dat de bestreden beslissing strijdig is met de wet. De tweede vraag heeft betrekking op de concrete toepassing van de verplichting, opgenomen onder arikel 20(5) en 20(6) van de richtlijn, in zoverre deze erin voorziet dat de lidstaten ervoor moeten zorgen dat alle verzoekers een waardige levensstandaard genieten. Wat is de precieze omvang van de verplichting van de overheid die met opvang belast is met het oog op de garantie van een waardige levensstandaard? Ten slotte rijst de vraag of, in het licht van de richtlijn, een sanctie van uitsluiting genomen kan worden ten aanzien van een (niet-begeleide) minderjarige.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten de artikelen 20 lid 1 tot lid 3 van de richtlijn zo uitgelegd worden dat zij op limitatieve wijze de gevallen bepalen waarin de materiële opvangvoorzieningen kunnen beperkt of ingetrokken worden, of blijkt uit artikel 20, lid 4 en 5 dat de intrekking van het recht op materiële opvangvoorzieningen ook kan gebeuren bij wijze van sanctie op ernstige inbreuken op de regels met betrekking tot opvangcentra en ernstige vormen van geweld?

2. Moeten de artikelen 20, lid 5 en 20 lid 6 zo uitgelegd worden dat de lidstaten, alvorens een beslissing te nemen met betrekking tot de beperking of intrekking van de materiële opvangvoorzieningen of sancties, en in het kader van deze beslissingen, de nodige maatregelen moeten vastleggen die het recht op een waardige levensstandaard tijdens de periode van uitsluiting waarborgen, of kan aan deze bepalingen tegemoet gekomen worden door een systeem waarbij, na de beslissing tot beperklng of intrekking van de materiële opvangvoorzlenlng, wordt nagegaan of de persoon die het voorwerp uitmaakt van de beslissing, een waardige levensstandaard geniet en desgevallend op dat ogenblik remediërende maatregelen worden genomen.

3. Moeten artikel 20 lid 4, 20 lid 5 en 20, lid 6, samen gelezen met artikel 14, 21, 22, 23 en 24 van de richtlijn en met de artikelen 1, 3, 4 en 24 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie, zo uitgelegd worden dat een maatregel of sanctie tot tijdelijke (of definitieve) uitsluiting uit het recht op materiële opvangvoorzieningen, mogelijk is, of niet mogelijk, ten aanzien van een minderjarige, meer in het bijzonder ten aanzien van de niet-begeleide minderjarige.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV; JenV-dmb