C-234/18 AGRO IN 2001

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    20 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    6 augustus 2018

Trefwoorden: strafrecht; vermoeden van onschuld

Onderwerp:
-           Richtlijn 2014/42/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie;
-           Kaderbesluit 2007/845/JBZ van de Raad van 6 december 2007, kaderbesluit 2006/783/JBZ van de Raad van 6 oktober 2006, kaderbesluit 2005/212/JBZ van de Raad van 24 februari 2005, kaderbesluit 2002/475/JBZ van de Raad van 13 juni 2002, kaderbesluit 2003/577/JBZ van de Raad van 22 juli  2003 en kaderbesluit 2001/500/JBZ van de Raad van 26 juni 2001, die bepalen dat confiscatie alleen plaatsvindt in het kader van een strafprocedure en betrekking heeft op vermogensbestanddelen die door een strafbaar feit zijn verkregen;
-           Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven en de financiering van terrorisme uit 2005; en
-           Verdrag van de Raad van Europa inzake het witwassen, de opsporing, de inbeslagneming en de confiscatie van opbrengsten van misdrijven uit 1990, die bepalen dat een confiscatieprocedure alleen kan worden ingesteld op grond van een definitieve veroordeling wegens een strafbaar feit in het kader van een strafprocedure.

Feiten:

De commissie voor corruptiebestrijding en confiscatie van illegaal verkregen vermogen (verzoekster) leidde de procedure in tot vaststelling van maatregelen ter bevriezing van vermogensbestanddelen die BP (een van de verwerende partijen), alsook natuurlijke en rechtspersonen van wie aangenomen wordt dat ze met BP gelieerd zijn, op illegale wijze hebben verkregen. Het besluit van verzoekster was gebaseerd op de kennisgeving die het openbaar ministerie bij de regionale directie van verzoekster had gedaan en volgens welke BP beklaagde in een onderzoek was, omdat hij in zijn hoedanigheid van voorzitter van de raad van toezicht van de Korporativna targovska banka AD en met medewerking van MT (dader), OP (dader), MH (medeplichtige), BK (medeplichtige), doelbewust anderen zou hebben aangezet tot het plegen van een strafbaar feit. Meer in het bijzonder zouden zij geld van derden hebben verduisterd, waarbij de verduistering van bijzonder grote omvang was en een bijzonder ernstig geval vormde. Naar mening van verzoekster valt het strafbare feit binnen de werkingssfeer van artikel 22(1) van de Bulgaarse wet inzake de confiscatie van illegaal verkregen vermogen (ingetrokken). Momenteel is bij de gespecialiseerde strafrechter een strafzaak aanhangig tegen BP en andere personen. Tot dusver is nog geen definitieve rechterlijke beslissing gewezen. Verweerders komen op tegen de procedures en voeren aan dat deze niet-ontvankelijk zijn, omdat de Bulgaarse wet in strijd zou zijn met richtlijn 2014/42. Verweerder BP is niet veroordeeld en voor hem moet het vermoeden van onschuld gelden aangezien er ook niet is voldaan aan de voorwaarden van ziekte, vlucht, verjaring of onmogelijkheid van strafrechtelijke vervolging binnen een redelijke termijn. Aangevoerd wordt dat het evenredigheidsbeginsel en de grondrechten, in het bijzonder het vermoeden van onschuld, het recht op een eerlijk proces, de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, de bescherming van persoonsgegevens, het ne bis in idem-beginsel en het legaliteitsbeginsel en evenredigheidsbeginsel inzake straffen zijn geschonden. Verweerder BP wordt behandeld als een definitief veroordeelde dader van strafbare feiten; in datzelfde licht wordt ook de rechtspositie van de overige verweerders beoordeeld.

Overweging:

De in casu toepasselijke (ingetrokken) wet inzake de confiscatie van illegaal verkregen vermogen bevat de uitdrukkelijke bepaling dat de confiscatieprocedure voor een burgerlijke rechter niet afhankelijk is van de strafprocedure. Tegelijkertijd bepaalt richtlijn 2014/42 dat alleen het vermogen van een definitief veroordeelde persoon vatbaar is voor confiscatie. Uit de bewoordingen van de richtlijn kan worden opgemaakt dat een verband tussen strafprocedure en civielrechtelijke confiscatieprocedure niet uitgesloten is en dat de civielrechtelijke confiscatieprocedure pas na afsluiting van de strafprocedure mag worden ingeleid. Richtlijn 2014/42 voorziet in een minimumharmonisatie. Naar oordeel van de verwijzende rechter ontstaat bij een vergelijking tussen de richtlijn en de toepasselijke Bulgaarse wet de indruk dat de Bulgaarse wet te ver reikt en verder gaat dan de minimumharmonisatie die door de richtlijn wordt beoogd. Bijgevolg is het noodzakelijk om de betekenis van bepaalde formuleringen van de richtlijn te verduidelijken en ook de vraag te beantwoorden of zij grenzen vastlegt en fundamentele beginselen voorschrijft waarvan niet mag worden afgeweken.

Prejudiciële vragen:

1. Dient artikel 1, lid 1, van richtlijn 2014/42/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie, dat voorziet in de vaststelling van „minimumvoorschriften [...] betreffende de bevriezing van voorwerpen met het oog op een eventuele confiscatie”, aldus te worden uitgelegd dat het de lidstaten toestaat om bepalingen vast te stellen met betrekking tot een civielrechtelijke confiscatie die niet op een veroordeling is gebaseerd?

2. Volgt uit artikel 1, lid 1, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, van richtlijn 2014/42/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie, dat de loutere inleiding van een  strafprocedure tegen de persoon wiens vermogen het voorwerp van de confiscatie is, volstaat voor het inleiden en uitvoeren van een civielrechtelijke confiscatieprocedure?

3. Mogen de gronden van artikel 4, lid 2, van richtlijn 2014/42/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie ruim worden uitgelegd, in die zin dat een civielrechtelijke confiscatie die niet op een veroordeling is gebaseerd, toegestaan is?

4. Dient artikel 5, lid 1, van richtlijn 2014/42/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat alleen op grond van een discrepantie tussen de waarde van de voorwerpen en het legale inkomen van de persoon een eigendomsrecht kan worden ontnomen als rechtstreeks of indirect uit een strafbaar feit verkregen, wanneer geen definitief strafvonnis gewezen is waarbij is vastgesteld dat de persoon het strafbare feit heeft gepleegd?

5. Dient artikel 6, lid 1, van richtlijn 2014/42/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie aldus te worden uitgelegd dat het voorziet in confiscatie bij een derde als aanvullende of alternatieve maatregel voor directe confiscatie of als aanvullende maatregel op ruimere confiscatie?

6. Dient artikel 8, lid 1, van richtlijn 2014/42/ЕU van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 betreffende de bevriezing en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven in de Europese Unie aldus te worden begrepen dat het de toepassing van het vermoeden van onschuld waarborgt en een confiscatie verbiedt die niet op een veroordeling is gebaseerd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: JenV

Gerelateerde documenten