C-235/18 Vega International Car Transport and Logistic

C-235/18 Vega International Car Transport and Logistic

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    29 mei 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    15 juli 2018

Trefwoorden: btw; krediet

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Verzoekster (Vega International) houdt zich bezig met het rechtstreekse vervoer van bedrijfsvoertuigen (vrachtwagens en bussen) van de fabriek naar de klant. De vervoerde voertuigen worden volgetankt met behulp van tankkaarten. Verzoekster voorziet alle ondernemingen binnen de Vega-groep van tankkaarten van verschillende leveranciers. Voor de transacties waarvoor deze tankkaarten worden gebruikt, reikt verzoekster facturen uit aan de ondernemingen binnen de groep, waaronder Vega Poland, met een belastingpercentage van 2%. Verzoekster verzocht om teruggaaf van de btw voor de periode van april 2012 t/m juni 2012, wat werd afgewezen. Volgens de beroepsinstantie was Vega Poland, en niet de buitenlandse onderneming Vega International, de koper van de brandstof. Bij de financiering van de genoemde transacties zou verzoekster niet gerechtigd  zijn geweest om te beslissen hoe en waarvoor de brandstof moest worden gebruikt. Hier zou sprake zijn van het verlenen van geldleningen, welke van btw zijn vrijgesteld en in Polen niet belastbaar zijn. In haar verzoek bij de bestuursrechter in eerste aanleg heeft verzoekster aangevoerd dat haar het recht op belastingteruggaaf is ontzegd. Volgens verzoekster handelt zij niet als kredietverstrekker. Bij beslissing van 26.06.2015 heeft de bestuursrechter in eerste aanleg het beroep van verzoekster verworpen en oordeelde dat de belastingautoriteit terecht heeft geconcludeerd dat er in deze omstandigheden geen sprake is van de levering van brandstof door verzoekster, daar zij door het (van tevoren) financieren van de brandstofaankoop een financiële dienst aanbiedt waartoe zij krachtens de binnen de Vega-groep gesloten overeenkomst inzake transacties met behulp van tankkaarten verplicht is. De rechter oordeelde dat de genoemde dienst als een van btw vrijgestelde dienst moest worden gekwalificeerd. Ter ondersteuning van haar beroep in cassatie heeft verzoekster o.a. verzocht het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken betreffende de uitlegging van de Unierechtelijke bepalingen inzake de fiscale kwalificatie van transacties waarbij tankkaarten worden gebruikt.

Overweging:

De uiteengezette vraag betreft de uitlegging van de bepalingen van de btw-richtlijn. Van de beslissing van het Hof hangt de aan de nationale rechter overgelaten beoordeling af of de Poolse wetgeving, meer bepaald van artikel 43(1).38 van de btw-wet, in overeenstemming is met het Unierecht. Derhalve is de prejudiciële beslissing vereist om de voor de nationale rechterlijke instantie aanhangige zaak te kunnen beslechten.

Prejudiciële vragen:

Vallen de verstrekking van tankkaarten en het onderhandelen over en financieren en afwikkelen van brandstofaankopen met behulp van dergelijke kaarten onder de bepaling van artikel 135, lid 1, onder b), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB 2006, L 347, blz. 1) of kunnen dergelijke complexe handelingen worden aangemerkt als kettingtransacties met als voornaamste doel de levering van brandstof?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Auto Lease Holland C-185/01.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal