C-249/18 CEVA Freight Holland

C-249/18 CEVA Freight Holland

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    05 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    21 juli 2018

Trefwoorden: douane; belastingen; vrij verkeer

Onderwerp:

-           Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (hierna: CDW);
-           Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie tot vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 (hierna: UCDW);

Feiten:

Belanghebbende (CEVA Freight Holland) is douane-expediteur. Zij doet in opdracht van importeurs op eigen naam en voor eigen rekening aangiften voor het vrije verkeer. Deze aangiften doet belanghebbende op een vereenvoudigde wijze (m.b.v. de domiciliëringsprocedure, artikel 76(1)c van het CDW). Belanghebbende heeft in opdracht van importeurs honderden aangiften gedaan voor het in het vrije verkeer brengen van mediaspelers. Belanghebbende heeft de mediaspelers ingedeeld onder postonderverdelingen met een bijbehorende tarief van douanerechten van 0%. In 2011 heeft de douane de aangiften aan een controle onderworpen. De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat de mediaspelers onder een ander postonderverdeling moeten worden ingedeeld (tarief 13,9%). De Inspecteur heeft de douanewaarde van de mediaspelers gebaseerd op de opgegeven prijzen (de prijzen waarvoor de importeurs de mediaspelers hebben verkocht). Belanghebbende heeft verzocht – o.a. onder verwijzing naar artikel 78 van het CDW - de douanewaarde te verlagen door bij de berekening uit te gaan van de lagere prijs die de in Azië gevestigde producent van de mediaspelers aan de importeurs in rekening heeft gebracht. De Inspecteur heeft uitnodigingen tot betaling vastgesteld en verenigd op één aanslagbiljet, waar belanghebbende bezwaar tegen heeft gemaakt en daarbij opnieuw verzocht om herziening op de voet van artikel 78(1) van het CDW. De door belanghebbende gedane verzoeken om herziening, heeft de Inspecteur bij uitspraken op bezwaar afgewezen op de gronden (i) dat belanghebbende bij het doen van de aangiften telkens een bewuste keuze heeft gemaakt tussen twee prijzen die elk bruikbaar zijn voor de bepaling van de douanewaarde, (ii) dat de door haar in de aangiften opgegeven prijzen juist zijn, en (iii) dat een verzoek om herziening op de voet van artikel 78 van het CDW niet is bedoeld om aangevers achteraf de mogelijkheid te geven terug te komen van een niet onjuist gegeven in een invoeraangifte dat als gevolg van een bewuste keuze daarin is opgenomen. Het gerechtshof heeft de Inspecteur opgedragen opnieuw te beslissen op het verzoek om herziening en belanghebbende daarbij in de gelegenheid te stellen haar verzoek cijfermatig te onderbouwen onder overlegging van de desbetreffende facturen. De Staatssecretaris heeft beroep in cassatie ingesteld.

Overweging:

De verwijzende rechter heeft twijfels omdat er geen procedurele voorschriften lijken te zijn die eraan in de weg staan dat een aangever met het oog op een vermindering van de douaneschuld in het kader van de te nemen maatregelen als bedoeld in artikel 78(3) van het CDW zijn keuze herziet en een ander gegeven - dat even juist en bruikbaar is – inbrengt. Tevens twijfelt de verwijzende rechter of voor de toepassing van artikel 221(3) van het CDW het tijdstip van verzending dan wel het tijdstip van ontvangst van de mededeling van de douaneschuld beslissend is. Daarom zal er worden overgegaan tot het stellen van de prejudiciële vragen.

Prejudiciële vragen:

1. Moet artikel 78 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek aldus worden uitgelegd dat een aangever in het kader van een boeking achteraf alsnog onder verwijzing naar artikel 141, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie tot vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van verordening nr. 2913/92 kan kiezen voor een andere, lagere transactieprijs van ingevoerde goederen met het oog op het verlagen van douaneschuld?

2a. Vormt voor de toepassing van artikel 221, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 het bepalen van het tijdstip waarop de mededeling aan de schuldenaar heeft plaatsgevonden, een vraag van Unierecht?

2b. Indien vraag 2a bevestigend wordt beantwoord, moet artikel 221, lid 3, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 aldus worden uitgelegd dat de daarin bedoelde mededeling door de schuldenaar moet zijn ontvangen binnen de termijn van drie jaar nadat de douaneschuld is ontstaan, of volstaat dat die mededeling binnen die termijn aan de schuldenaar is verzonden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Nederland/Commissie C-156/00; Molenbergnatie N.V. C-201/04; Gilbert Snauwaert e.a. gevoegde zaken C-124/08 en C-125/08; Overland Footwear II C-468/03; Veloserviss SIA C-427/14; VAEX Varkens- en Veehandel B.V. C-387/13.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal; FIN