C-254/18 Syndicat des cadres de la sécurité intérieure

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    06 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    23 juli 2018

Trefwoorden: rusttijden; arbeidsrecht

Onderwerp:

-           Richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd;

Feiten:

Bij een op 28.03.2017 ingeschreven verzoekschrift heeft verzoeker (Syndicat des cadres de la sécurité intérieure, vakbond van politieofficieren) de verwijzende rechter verzocht artikel 1 van decreet 2017-109 (houdende afwijkingen van de minimumgaranties op het gebied van arbeids- en rusttijden die van toepassing zijn op het personeel van de nationale politie) nietig te verklaren. Hij voert aan dat dit artikel:
- in strijd is met zowel het gelijkheidsbeginsel als de bepalingen van de richtlijn, doordat voor de berekening van de maximale wekelijkse arbeidstijd een referentieperiode in aanmerking wordt genomen die in semesters van het kalenderjaar wordt uitgedrukt;
- in strijd is met de bepalingen van die richtlijn, doordat geen rekening wordt gehouden met de wijze waarop de perioden van jaarlijkse vakantie en ziekteverlof die zij omschrijft voor de berekening van de gemiddelde wekelijkse arbeidstijd, in aanmerking worden genomen.

Overweging:

Het antwoord op dit middel hangt af van het antwoord op de vraag of de bepalingen van die artikelen aldus moeten worden uitgelegd dat daarbij een voortschrijdende referentieperiode wordt opgelegd of dat zij de lidstaten de keuze laten die periode een voortschrijdend of vast karakter te geven. Tevens rijst de vraag of indien die bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat daarbij een voortschrijdende referentieperiode wordt opgelegd, de in artikel 17 bedoelde mogelijkheid om af te wijken van artikel 16b), niet alleen de duur van de referentieperiode kan betreffen, maar ook haar voortschrijdend karakter.  Deze vragen zijn beslissend voor de beslechting van het geding. De Conseil d’État.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten de artikelen 6 en 16 van richtlijn 2003/88/EG [van het Europees Parlement en de Raad] van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd aldus worden uitgelegd dat daarbij een voortschrijdende referentieperiode wordt opgelegd dan wel dat zij de lidstaten de keuze laten om die periode een voortschrijdend of een vast karakter te geven?

2. Indien die bepalingen aldus moeten worden uitgelegd dat daarbij een voortschrijdende referentieperiode wordt opgelegd, kan de in artikel 17 bedoelde mogelijkheid om af te wijken van artikel 16, onder b), dan niet alleen de duur van de referentieperiode betreffen, maar ook haar voortschrijdend karakter?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: SZW

Gerelateerde documenten