C-255/18 State Street Bank International

C-255/18 State Street Bank International

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    07 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    24 juli 2018

Trefwoorden: banken; depositogarantiestelsel

Onderwerp:

-           Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van verordening (EU) nr. 1093/2010;
-           Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels;

Feiten:

Verzoeker (State Street Bank International, hierna: SSB International) is een Duitse bank die tot en met 05.07.2015 via een zelfstandige Italiaanse bank, SSB Italia, in Italië actief was. Met ingang van 06.07.2015 heeft verzoekster ten gevolge van de fusie door overneming van SSB Italia haar activiteiten in Italië in het kader van de vrijheid van vestiging louter via State Street Bank International - Succursale Italia, een bijkantoor, verdergezet. Met de bestreden besluiten heeft verweerder (Banca d’Italia, aangewezen afwikkelingsautoriteit) SSB verzocht om het bedrag van €5.102.425,- te betalen (als vaste en buitengewone bijdragen aan het nationale afwikkelingsfonds). De banken die hun statutaire zetel in Italië hebben, en de Italiaanse bijkantoren van banken van buiten de Gemeenschap betalen op jaarbasis vaste bijdragen aan de afwikkelingsfondsen ingevolge wetsbesluit 180/2015. Indien de financiële middelen ontoereikend zijn, betalen de banken die hun statutaire zetel in Italië hebben, en de Italiaanse bijkantoren van banken van buiten de Gemeenschap aan de afwikkelingsfondsen buitengewone bijdragen om de aanvullende kosten te dekken waarvan het bedrag door verweerder wordt vastgesteld. Het bovengenoemd wetsbesluit is de wettekst waarbij richtlijn 2014/59 in de Italiaanse rechtsorde is omgezet. Volgens verzoekster zijn de bestreden besluiten onwettig aangezien elke nationale afwikkelingsautoriteit bevoegd is ten aanzien van banken en beleggingsondernemingen waarvan de statutaire zetel in hun lidstaat van herkomst gevestigd is, maar niet ten aanzien van op haar grondgebied gevestigde bijkantoren van banken die hun statutaire zetel in een andere lidstaat hebben. Laatstgenoemde instellingen blijven onder de bevoegdheid van hun nationale afwikkelingsautoriteit (wat SSB International betreft, de Duitse afwikkelingsautoriteit) vallen. Verweerder betwist deze argumenten en voert aan dat zij juist heeft gehandeld: haar tot verzoekster gerichte aanmaning om de vaste bijdrage en de buitengewone bijdrage te betalen is namelijk gebaseerd op het feit dat de Italiaanse bank SSB Italia op 01.01.2015 onder het nationale systeem bestond en pas in de loop van 2015 – op een tijdstip dat de wijzigingen in de rechtspersoonlijkheid niet meer van belang konden zijn – is overgenomen door de Duitse moedermaatschappij SSB International; die als overnemende vennootschap gehouden was om de betrokken bijdragen te betalen.A1

Overweging:

Richtlijn 2014/59 draagt het beheer van het afwikkelingssysteem op aan een ‘afwikkelingsautoriteit’ die te dien einde door elke lidstaat wordt aangewezen. Voor Italië is dat de Banca d’Italia. De berekening van de door de instellingen verschuldigde bijdragen is geregeld in de gedelegeerde verordening 2015/63. De verdelingsregels zorgen ervoor dat er een hogere bijdrage moet worden betaald door de instellingen die bij wanbetaling een grotere uitbetaling door het fonds met zich meebrengen, en dat zijn dus de instellingen met de grootste ‘passiva’. Aangezien artikel 14 van de gedelegeerde verordening bepaalt dat ‘de instellingen uiterlijk op 31 januari de afwikkelingsautoriteit de laatste goedgekeurde jaarrekening die vóór 31 december van het jaar voorafgaand aan de bijdrageperiode beschikbaar was, samen met het oordeel van de wettelijke auditor of het wettelijke auditkantoor verstrekken’, hebben de gebruikte gegevens uiteindelijk betrekking op twee jaren die aan het bijdragejaar voorafgaan. Op 31 december van het aan het bijdragejaar voorafgaande jaar zal immers alleen de goedgekeurde en geauditeerde balans van het jaar daarvoor beschikbaar zijn. Gelet op het belang en de complexiteit van de zaak wordt het nodig geacht de hierboven geformuleerde prejudiciële vragen aan het Hof voor te leggen.

Prejudiciële vragen:

a) Moet onder ,statuswijzigingen’, die volgens artikel 12 van verordening (EU) 2015/63 geen effect op de bijdrageplicht hebben, ook worden verstaan de in de bijdrageperiode plaatsgevonden fusie waarbij een eerder onder het toezicht van een nationale afwikkelingsautoriteit staande instelling wordt overgenomen  door de in een andere lidstaat gevestigde moedervennootschap, en geldt die regel ook ingeval dat de fusie en de daarmee gepaard gaande verdwijning van de instelling plaatsvonden in 2015, dat wil zeggen op een tijdstip waarop de nationale afwikkelingsautoriteit en het nationale fonds formeel nog niet door de lidstaat waren opgericht en de bijdragen nog niet berekend waren?

b) Moet artikel 12 van verordening (EU) 2015/63, gelezen in samenhang met artikel 14 van deze verordening en de artikelen 103 en 104 van richtlijn 2014/59/EU, aldus worden uitgelegd dat een instelling ook in het geval dat in de loop van het bijdragejaar een fusie door overneming door een moedervennootschap in een andere lidstaat plaatsvindt, verplicht is om de bijdrage voor het jaar in haar geheel te betalen en niet – door analoge toepassing van het bepaalde in artikel 12, lid 1, van verordening 2015/63 voor ,nieuwe onder toezicht staande’ instellingen – naar rato van de maanden waarin de  instelling zelf onder toezicht van de afwikkelingsautoriteit van de eerste lidstaat stond?

c) Moeten richtlijn 2014/59/EU, verordening (EU) 2015/63 en de beginselen van het systeem bestaande uit de instrumenten ter beheersing van bankencrises aldus worden begrepen dat de inzake de vaste bijdrage vastgestelde regels en inzonderheid artikel 12, lid 2, van verordening 2015/63, voor wat betreft het tijdstip waarop de bijdrageplichtigen worden aangewezen en de hoogte van de bijdrage, ook gelden voor de buitengewone bijdrage, rekening houdend met de aard ervan en de voor de inning ervan gestelde voorwaarden?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie:

Specifiek beleidsterrein: FIN;