C-265/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    13 augustus 2018

Trefwoorden: btw; levering; onroerende zaken

Onderwerp:

- Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde.

Feiten:

De verzoekster heeft samen met een andere natuurlijke persoon in het kader van een verkoopovereenkomst op 10 februari 2011 een perceel landbouwgrond gekocht. Op 4 juli 2011 heeft zij een bouwvergunning gekregen en op 9 augustus 2011 heeft zij op het aangekochte perceel grond een woning en twee gebouwen voor plattelandstoerisme geregistreerd. Op 28 december 2012 heeft zij op grond van een overeenkomst betreffende de verkoop van een perceel grond met een gebouw en houdende de regels inzake het gebruik van het perceel grond zelf een gedeelte van de grond en een gedeelte van de woning op die grond verkocht (hierna: de betwiste handeling). De belastinginspectie heeft gecontroleerd of verzoekster de btw juist had berekend en voldaan. De belastinginspectie oordeelde dat verzoekster volgens de berekeningen 21.915,55 euro aan btw was verschuldigd, vermeerderd met een vertragingsrente van 5.034 euro en een boete van 2.192 euro. Verzoekster heeft toen een klacht ingediend bij de centrale belastingautoriteit. Omdat zij het niet eens was met het besluit van de centrale belastingautoriteit heeft zij vervolgens een verzoek ingediend bij de commissie voor fiscale geschillen. Deze commissie oordeelde dat verzoekster in het kader van de betwiste handeling twee goederen heeft verkocht, te weten 1) een gedeelte van het perceel grond en 2) een gedeelte van de woning. De belastingautoriteit heeft de verkochte onroerende goederen daarom ten onrechte aangemerkt als één goed in de zin van artikel 92, lid 1 van de btw-wet. De verschuldigde btw was naar nationaal recht gekoppeld aan geleverde goederen waarvan de prijs het plafond van 155.000 LTL overschreed. In casu werd door de verkoop van slechts één van de goederen dit plafond overschreden. Het btw-bedrag moet daarom worden gecorrigeerd door het te berekenen op basis van de voor het verkochte goed ontvangen tegenprestatie die het in de btw-wet vastgestelde plafond heeft overschreden. Verweerster heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en aangevoerd dat het gaat om één levering van goederen, omdat de goederen niet los van elkaar konden worden geleverd, onderling verbonden waren en economisch gezien één geheel vormden.

Overweging:
De zaak Breitsohl (C-400/98) van het Hof van Justitie kan niet zo worden opgevat dat het op zichzelf bevestigt dat de levering van een bouwwerk en van het bijbehorende perceel grond onlosmakelijk verbonden is, dus dat een dergelijke levering de levering van een enkel goed vormt. Volgens nationaal recht is het bovendien mogelijk een bouwwerk te leveren zonder de overdracht van het eigendomsrecht op het bijbehorende perceel grond. De levering van de betrokken goederen is in één verkoopovereenkomst geformaliseerd, maar de onroerende goederen zijn afzonderlijk aangemerkt en ook de verkoopprijzen zijn er van elkaar gescheiden. De vraag die daarom moet worden beantwoord is hoe artikel 282 van de btw-richtlijn moet worden uitgelegd wanneer twee goederen door middel van dezelfde handeling worden geleverd, maar het vastgestelde jaarlijkse omzetplafond alleen wordt overschreden door de levering van een van de goederen. Is de belastingplichtige in een dergelijk geval verplicht om de btw te berekenen en te voldoen over het volledige bedrag van de handeling of slechts over het gedeelte van de transactie dat het genoemde plafond overschrijdt? De beantwoording van deze vraag is noodzakelijk voor het beslechten van het geschil in het hoofdgeding.

Prejudiciële vragen:

Moeten de artikelen 282 tot en met 292 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde aldus worden uitgelegd dat in omstandigheden als die in de onderhavige zaak, waarin twee goederen door middel van dezelfde handeling worden geleverd, maar het in artikel 287 van richtlijn 2006/112/EG (en in de overeenkomstige bepaling van het nationale recht) vastgestelde jaarlijkse omzetplafond (volume van de activiteiten) enkel door de levering van een van deze goederen wordt overschreden, de belastingplichtige (de leverancier) verplicht is om onder meer de belasting over de toegevoegde waarde te berekenen en te voldoen (1) over het gehele bedrag van de handeling (over het bedrag van de levering van beide goederen) dan wel (2) enkel over het deel van de handeling dat het voornoemde plafond (volume van de activiteit) heeft overschreden (over het bedrag van de levering van een van de goederen)?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-400/98, C-182/05, C-97/09.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal