C-266/18 Aqua med

C-266/18 Aqua med

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 augustus 2018

Trefwoorden: oneerlijke bedingen; bevoegdheid rechter

Onderwerp:

-           Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten;
-           Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (herschikking);

Feiten:

Verzoekster (Aqua med) vorderde betaling van een krachtens de verkoopovereenkomst verschuldigd bedrag van verweerster (Skóra, een consument). In de verkoopovereenkomst van 29.10.2016 is de volgende bepaling opgenomen: “De rechterlijke instantie die bevoegd is om geschillen tussen de partijen te beslechten, wordt bepaald aan de hand van de relevante bepalingen.” In het inleidende stadium van het onderzoek heeft de rechter in eerste aanleg zich (ratione loci) ambtshalve onbevoegd verklaard en de zaak doorverwezen naar de rechter in eerste aanleg van de woonplaats van verweerster. In de motivering van zijn beslissing heeft de rechter zich beroepen op het feit dat verweerster een consument en verzoekster een ondernemer is, zodat de zaak niet alleen op grond van de bepalingen van het nationale recht moest worden onderzocht maar tevens in het licht van het desbetreffende communautaire recht, meer bepaald in het licht van artikel 6(1) van richtlijn 93/13. Meer in het bijzonder heeft de rechter zich beroepen op het arrest C-243/08, waarin is bepaald dat de nationale rechter gehouden is ambtshalve te toetsen of een beding in een overeenkomst tussen een ondernemer en een consument oneerlijk is, ook wanneer hij onderzoekt of hij ratione loci bevoegd is. Verzoekster heeft een klacht tegen deze beslissing ingediend, en heeft de beslissing in haar geheel aangevochten. Verzoekster heeft daarbij aangevoerd dat de  beslissing in strijd is met de bepalingen van nationaal recht en artikel 6(1) van richtlijn 93/13 door onjuiste toepassing of niet-toepassing van deze bepalingen.

Overweging:

De rechter in eerste aanleg heeft zich beroepen op de arresten in C-243/08 en C-240/98, maar heeft daarbij een belangrijk feitelijk aspect buiten beschouwing gelaten: de specifieke contractuele bepalingen waarin de partijen de kwestie van de rechterlijke bevoegdheid regelden. De partijen hebben in casu verwezen naar de relevante bepalingen van het nationale recht. De aangehaalde uitspraken van het Hof hadden echter betrekking op een situatie waarin partijen de rechterlijke bevoegheid d.m.v. een forumkeuzebeding / uitsluitingsclausule hadden geregeld. De zienswijze van de rechter in eerste aanleg lijkt deze benadering te verruimen tot situaties als in deze zaak. In dergelijke omstandigheden rijst de fundamentele vraag of het Unierecht de nationale rechter wel dermate verreikende bevoegdheden toekent en of dergelijke bevoegdheden gegrond zijn op richtlijn 93/13.

Prejudiciële vragen:

1. Moet een door de nationale rechter ambtshalve verrichte controle die is gebaseerd op artikel 6, lid 1, van richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (PB 1993, L 95, blz. 29) en op de rechtspraak van het Hof (arrest van 4 juni 2009, Pannon GSM, C-243/08, EU:C:2009:350) en betrekking heeft op de forumkeuzebedingen in een consumentenovereenkomst, ook die contractuele bepalingen omvatten die weliswaar de kwestie regelen van de rechterlijke bevoegdheid in geschillen tussen de partijen maar dat uitsluitend doen door verwijzing naar het nationale recht?

2. Moet in het geval van een bevestigend antwoord op de eerste vraag de door de rechter verrichte controle ertoe leiden dat de regels inzake de rechterlijke bevoegdheid aldus worden toegepast dat de door de richtlijn geboden consumentenbescherming en de daaruit volgende mogelijkheid om de zaak te laten behandelen door het gerecht dat zich het dichtst bij de woonplaats of gewone verblijfplaats van de consument bevindt, worden gewaarborgd?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Pannon GSM C-243/08; Océano Grupo Editorial en Salvat Editores C-240/98–C-244/98.

Specifiek beleidsterrein: JenV