C-270/18 UPM France

C-270/18 UPM France

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    08 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    25 juli 2018

Trefwoorden: belastingen; elektriciteit

Onderwerp:
-           VWEU;
-           Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit;

Feiten:

UPM France exploiteert ten behoeve van haar papierproductie een warmtekrachtkoppelinginstallatie, waarvoor zij aardgas als brandstof gebruikt. Over het aardgas dat tussen 01.01.2004 en 01.04.2008 aan haar is geleverd, heeft de leverancier haar de binnenlandse belasting op het verbruik van aardgas in rekening gebracht; het betrokken bedrag is door hem afgedragen. Aangezien volgens UPM France het gedeelte van de leveringen dat voor de productie van elektriciteit is verbruikt, overeenkomstig artikel 14 van de richtlijn van die belasting vrijgesteld had moeten zijn, heeft zij verzocht om terugbetaling van de
betaalde belasting en om vergoeding van de schade die zij stelt te hebben geleden wegens de vertraging waarmee de Staat deze richtlijn heeft omgezet.  UPM France heeft bij de bestuursrechter in eerste aanleg gevorderd dat de Staat zou worden veroordeeld haar het bedrag van €2.962.224,08, vermeerderd met de wettelijke rente en de kapitalisatie ervan, te betalen als vergoeding van de door haar in de periode van 01.01.2004 t/m 31.03.2008 geleden schade ten gevolge van de niet-omzetting van artikel 14(1) van de richtlijn. Bij vonnis van 17.07.2013 heeft de bestuursrechter beslist dat het beroep gedeeltelijk zonder voorwerp is geraakt, namelijk ten aanzien van een bedrag van €137.931,-, en de vordering voor het overige afgewezen. Bij uitspraak van 15.03.2016 heeft de bestuursrechter in tweede aanleg het hoger beroep van UPM France tegen dat vonnis afgewezen. UPM France heeft de verwijzende rechter in een inleidende hogere voorziening o.a. verzocht: de uitspraak van de bestuursrechter in tweede aanleg te vernietigen; subsidiair een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof; en de Staat ingevolge te veroordelen tot betaling van een bedrag van €5.000,-. UPM France voert aan dat de bestuursrechter in tweede aanleg blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door haar vordering tot schadevergoeding af te wijzen en daartoe te oordelen dat het aardgas dat zij voor haar bedrijfsuitoefening heeft aangekocht en waarover ten onrechte de binnenlandse belasting op het verbruik van aardgas is geheven, binnen de werkingssfeer van artikel 15 van de richtlijn valt, dat de lidstaten de mogelijkheid biedt vrijstelling te verlenen, en niet binnen die van artikel 14(1) dat de lidstaten verplicht deze vrijstelling toe te passen. Verweerder (minister van economische zaken en financiën) verzoekt om afwijzing van de hogere voorziening. Hij stelt dat de middelen ongegrond zijn.

Overweging:

Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hangt de reactie op het in verweer gevoerde betoog van de minister in de tweede plaats af van de vraag hoe de bepalingen van artikel 14(1a) van de richtlijn en die van artikel 21(5) van deze richtlijn moeten worden gecombineerd ten aanzien van kleine producenten die de door hen geproduceerde elektriciteit voor hun activiteit verbruiken. Het gaat met name om de vraag of deze bepalingen tot gevolg hebben dat een minimumbelasting wordt geheven die voortvloeit uit de belastingheffing op elektriciteit die is geproduceerd met vrijstelling van het gebruikte aardgas of uit een vrijstelling van de belasting op de elektriciteitsproductie, in welk geval de staat verplicht is het gebruikte aardgas te belasten. De gestelde vragen zijn beslissend voor de beslechting van het geschil door de verwijzende rechter.

Prejudiciële vragen:

1. Moeten de bepalingen van artikel 21[, lid 5, derde alinea,] van richtlijn [2003/96] aldus worden uitgelegd dat de vrijstelling die de lidstaten ingevolge deze bepalingen aan kleine elektriciteitsproducenten kunnen verlenen, mits zij belasting heffen op de voor de productie van die  elektriciteit gebruikte energieproducten, het gevolg kan zijn van een situatie als die welke in punt 7 van de onderhavige beslissing is beschreven voor de periode vóór 1 januari 2011, waarin Frankrijk, zoals toegestaan door de richtlijn, nog geen binnenlandse belasting op het eindverbruik van elektriciteit, en dientengevolge ook nog geen vrijstelling van die belasting ten gunste van kleine producenten had ingevoerd?

2. Indien de eerste vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe moeten dan de bepalingen van artikel 14, [lid 1, onder a),] van de richtlijn en die van artikel 21[, lid 5, derde alinea,] van deze richtlijn worden gecombineerd ten aanzien van kleine producenten die de door hen geproduceerde elektriciteit voor hun activiteit verbruiken? Hebben deze bepalingen meer in het bijzonder tot gevolg dat een minimumbelasting wordt geheven die voortvloeit uit de belastingheffing op elektriciteit die is geproduceerd met vrijstelling van het gebruikte aardgas of uit een vrijstelling van de belasting op de elektriciteitsproductie, in welk geval de staat verplicht is het gebruikte aardgas te belasten?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Flughafen Köln/Bonn C-226/07; Cristal Union C-31/17.

Specifiek beleidsterrein: FIN-fiscaal