C-275/18

C-275/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    22 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    8 augustus 2018

Trefwoorden: btw; douane;

Onderwerp:

-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde;

Feiten:

Verzoeker heeft tijdens de periode van 2012 t/m met 2014 per post goederen geleverd – met name militaire memorabilia – aan derde landen buiten de EU. Bij besluit van verweerder is het bedrag van de aanvullende belastingaanslag gerectificeerd op grond van het feit dat de lagere belastingautoriteit de maatstaf van heffing onjuist had bepaald. De naheffing was het resultaat van een belastingcontrole. De lagere belastingautoriteit was van oordeel dat verzoeker niet had aangetoond dat hij voldeed aan de voorwaarden voor een belastingvrijstelling op grond van §66 van de btw-wet. Verzoeker heeft de rechter in eerste aanleg verzocht om nietigverklaring van het besluit van verweerder. Volgens verzoeker heeft hij aangetoond gebruik te hebben gemaakt van andere bewijzen in de zin van §66(6) van de btw-wet om aan te tonen dat de goederen de EU daadwerkelijk hebben verlaten. De rechter in eerste aanleg heeft dit verzoek ongegrond verklaard. Met zijn cassatieberoep verzoekt verzoeker om vernietiging van het vonnis van de rechter in eerste aanleg. Het twistpunt betreft de vraag of aan de voorwaarden van de in §66 van de btw-wet opgenomen btw-vrijstelling was voldaan. Verzoeker voert aan dat de methode die de bestuurlijke autoriteiten opleggen om aan te tonen dat de uitgang van de goederen heeft plaatsgevonden en die is vermeld in §66(1) van de btw-wet niet beantwoordt aan de vereisten die voortvloeien uit artikel 131 van de btw-richtlijn. Verzoeker beschouwt het bestreden vonnis als onrechtmatig, formalistisch en onrechtvaardig. Hij voert aan dat het, teneinde te voldoen aan de voorwaarden van §66(1) van de btw-wet, van doorslaggevend belang is dat de goederen het grondgebied van de Unie hebben verlaten, dat wil zeggen dat ze daadwerkelijk zijn geleverd aan een derde land. Verweerder geeft aan het eens te zijn met de vaststellingen in het bestreden vonnis van de rechter in eerste aanleg en voert aan dat in dit geval niet is voldaan aan alle in §§63 t/m 66 van de btw-wet opgenomen cumulatieve voorwaarden voor belastingvrijstelling met recht op aftrek bij uitvoer van goederen. Verweerder merkt op dat de voorwaarde dat goederen worden geplaatst onder een van de douaneregelingen, door de wetgever is ingevoerd om belastingfraude te voorkomen. Volgens hem is die voorwaarde in overeenstemming met de btw-richtlijn..

Overweging:

De verwijzende rechter stelt met betrekking tot het arrest C-563/12 vast dat het geval dat aan hem wordt voorgelegd verschilt van het arrest C-563/12, waardoor de conclusies van dit arrest niet zomaar kunnen worden doorgetrokken naar het voorliggende geval. De vraag die rijst is of de nationale wetgever het kader te buiten gaat dat die algemene vereisten scheppen wanneer hij als voorwaarde stelt dat een belastingplichtige volgens een wettelijk voorgeschreven methode aantoont dat de goederen onder een van de douaneregelingen zijn geplaatst. De verwijzende rechter is van oordeel dat de nationale wetgeving afwijkt van de randvoorwaarden die het Unierecht oplegt en van de fundamentele rechtsbeginselen van de Unie voor zover de belastingplichtige feitelijk kan aantonen dat de goederen het grondgebied van de Unie daadwerkelijk hebben verlaten.

Prejudiciële vragen:

1. Mag het recht op een vrijstelling van belasting over de toegevoegde waarde bij uitvoer van goederen (artikel 146 van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde) worden onderworpen aan de voorwaarde dat de goederen tevoren onder een bijzondere douaneregeling worden geplaatst (§ 66 Zákon č. 235/2004 Sb., o dani z přidané hodnoty)?

2. Vormt de doelstelling om fraude, ontwijking en misbruik te voorkomen in artikel 131 van de btw-richtlijn een voldoende rechtvaardigingsgrond voor dergelijke nationale wetgeving?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Molenheide e.a. C-286/94, C-340/95, C-401/95 en C-47/96; BDV Hungary Trading Kft. C-563/12.

Specifiek beleidsterrein: FIN