C-278/18

C-278/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    13 augustus 2018

Trefwoorden: btw; landbouw;

Onderwerp:
-           Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (hierna: btw-richtlijn);

Feiten:

Verzoeker heeft met de tweede contractant een overeenkomst gesloten, op grond waarvan verzoeker de landbouwexploitatie overgedragen werd van de landelijke onroerende goederen. De betrokken gronden bestaan uit wijngaarden. De tweede contractant is een druiventeler. Bij verzoeker is in 2002 een belastingcontrole uitgevoerd waarna aan verzoeker de btw-aanslagen ter kennis werden gebracht voor de vier kwartalen van het boekjaar 2002 (respectievelijk €38.360,29; €22.566,01; €8.033,61; en €38.567,19 vermeerderd met rente). Verzoeker stelde beroep in bij de administratieve en fiscale rechter, die het beroep vervolgens verwierp bij vonnis. Verzoeker heeft vervolgens als beheerder van de nalatenschap die door het overlijden van AGM is opengevallen, bij de centrale bestuursrechter hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de administratieve en fiscale rechter. Verzoeker voert aan dat hij is vrijgesteld van btw op grond van verschillende wettelijke regelingen, waaronder artikel 9(30) (thans lid 29) van het btw-wetboek en verzoekt het hoger beroep gegrond te verklaren en het bestreden vonnis te vernietigen. De Portugese Schatkist heeft geen tegenargumenten aangedragen. De centrale bestuursrechter heeft op 27.10.2016 uitspraak gedaan waarbij zij zich hiërarchisch onbevoegd verklaarde en de bevoegdheid toewees aan de verwijzende rechter, aangezien het hoger beroep uitsluitend een rechtsvraag betrof.

Overweging:

In het bestreden vonnis is verklaard dat verzoeker niet was vrijgesteld, aangezien zijn situatie niet binnen de werkingssfeer van artikel 9(30) van het btw-wetboek viel. Dit zou voortvloeien uit de omzetting van de thans in artikel 135(1) van de btw-richtlijn vastgestelde Uniewetgeving en in overeenstemming zijn met de Unierechtspraak. Verzoeker is het daar niet mee eens en voert in de eerste plaats aan dat de vrijstelling van artikel 9, lid 33 of lid 30 van het btw-wetboek wel van toepassing is, aangezien dit in besluit nr. 30022 van de DSIVA (directie btw-diensten) is vastgesteld. Aan het Hof dient de prejudiciële vraag te worden voorgelegd of de vrijstelling van artikel 9, lid 30 van het btw-wetboek en van artikel 135(1) van de btw-richtlijn moet worden toegepast.

Prejudiciële vragen:

Bijgevolg moet worden uitgemaakt of „artikel 135, lid 1, punt l), van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 inzake de vrijstelling voor verhuur van onroerende goederen aldus moet worden uitgelegd dat die vrijstelling van toepassing is op een overeenkomst tot overdracht van de landbouwexploitatie van uit wijngaarden bestaande landelijke onroerende goederen aan een vennootschap die als maatschappelijk doel landbouwexploitatie heeft, waarbij die overeenkomst is gesloten voor de duur van één jaar en automatisch voor perioden van dezelfde duur kan worden verlengd en op grond ervan aan het einde van elk jaar de desbetreffende huur moet worden betaald.

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Maierhofer C-315/00; C-451/06; Skatteministeriet/Henriksen 173/88; Goed/Wonen C-326/99;

Specifiek beleidsterrein: FIN; LNV