C-280/18

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    27 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    13 augustus 2018

Trefwoorden: milieu; doeltreffende voorziening

Onderwerp:

-           Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (hierna: richtlijn 2011/92/EG);
-           Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: Handvest).

Feiten:

Bij besluit van 8 augustus 2014 is door de Griekse autoriteit goedkeuring verleend voor de aanleg van een toeristencomplex op het Griekse eiland Ios en de aan dat project verbonden milieuvoorwaarden. Het besluit werd op de website DIAVGEIA en op de website van het ministerie van Milieu geplaatst. Voorts is op 2 augustus 2013 in een plaatselijke krant in Syros, dat 55 zeemijlen van Ios afligt, een oproep aan alle belanghebbenden gepubliceerd om kennis te nemen van het milieueffectrapport en hun mening kenbaar te maken. Volgens Griekse nationale wetgeving geldt in dit kader een vermoeden van kennisneming. Verzoekers vermelden in hun verzoek tot nietigverklaring dat zij pas van het bestreden besluit op de hoogte zijn gesteld toen zij zagen dat werkzaamheden werden verricht voor de ontsluiting van het terrein waar het toeristencomplex moet worden aangelegd. Op grond van artikel 6 en 11 van richtlijn 2011/92/EU menen verzoekers het recht te hebben vooraf advies uit te brengen, in kennis te worden gesteld en in beroep te kunnen gaan tegen het besluit. Daartegen wordt aangevoerd dat het verzoek tot nietigverklaring niet-ontvankelijk is wegens overschrijding van de beroepstermijn, onder meer omdat het meer dan 60 dagen na de plaatsing van dat besluit op de website van het ministerie van Milieu is ingediend.

Overweging:

Aan de ene kant overweegt de verwijzende rechter dat het stelsel een geheel van publicaties en toereikende termijnen kent en voorziet in de raadpleging van openbare instanties op centraal, regionaal en plaatselijk niveau, alsmede in voorlichting en inspraak van het publiek door tussenkomst van de regio of de betrokken gemeente. Aan de andere kant overweegt de verwijzende rechter dat uit de bepalingen van richtlijn 2011/92/EU volgt dat dat de mogelijkheid van wezenlijke voorlichting en toegang tot het desbetreffende dossier een noodzakelijke voorwaarde is voor doeltreffende inspraak van het publiek en toegang tot de rechter. Daaruit volgt dat de bewaring van de informatie over het project en de verstrekking daarvan aan het publiek zo dicht mogelijk moeten plaatsvinden bij het gebied dat gevolgen van het project ondervindt, voor Griekenland bij de betrokken gemeente of deelgemeente. Echter lijkt dit in casu met name bij de hogere bestuurlijke eenheid plaats te vinden. Als gevolg hiervan is niet boven redelijk twijfel verheven dat de toepasselijke nationale wetgeving in overeenstemming met het Unierecht is. De rechter gaat daarom over tot het stellen van prejudiciële vragen.

Prejudiciële vragen:

a) Kunnen de artikelen 6 en 11 van richtlijn 2011/92/EU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat daarmee verenigbaar zijn bepalingen van nationaal recht, als uiteengezet in de punten 8, 9 en 10 [van de verwijzingsbeslissing], volgens welke de procedures die voorafgaan aan een besluit tot goedkeuring van milieuvoorwaarden voor projecten en activiteiten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu hebben (openbaarmaking van milieueffectstudies, voorlichting en deelname van het publiek aan de raadpleging) voornamelijk door en onder het toezicht van de hogere bestuurlijke eenheid van de regio worden gevoerd, en niet van de betrokken gemeente?

b) Kunnen de artikelen 6 en 11 van richtlijn 2011/92/EU, gelezen in samenhang met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, aldus worden uitgelegd dat daarmee verenigbaar is een nationale regeling, als uiteengezet in de punten 8, 9 en 10 [van de verwijzingsbeslissing], volgens welke de openbaarmaking van besluiten tot goedkeuring van milieuvoorwaarden voor projecten en activiteiten die aanzienlijke gevolgen voor het milieu hebben, door de plaatsing daarvan op een speciale website voor iedere belanghebbende een vermoeden van volledige kennisneming schept met het oog op de uitoefening van de rechtsmiddelen waarin de geldende wetgeving voorziet (verzoek tot nietigverklaring bij de hoogste bestuursrechter) binnen een termijn van zestig dagen, in het licht van de wettelijke bepalingen betreffende de openbaarmaking van milieueffectstudies, de voorlichting en inspraak van het publiek in de procedure tot goedkeuring van milieuvoorwaarden voor de genoemde projecten en activiteiten, die het zwaartepunt van die procedures bij de hogere bestuurlijke eenheid van de regio leggen en niet bij de betrokken gemeente?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: Bonifaci e.a. en Berto e.a., C-94/95 en C-95/95; Palmisani, C-261/95; Maso, C-373/95; Bund für Umwelt und Naturschutz Deutschland, Landesverband Nordrhein–Westfalen, C-115/09; PPG en SNF SAS/ECHA, С-625/11 P; Gemeinde Altrip e.a., C-72/12; Gruber, C-570/13; Stadt Wiener Neustadt, C-348/15.

Specifiek beleidsterrein: EZK; IenW