C-284/18 Equitalia centro

C-284/18 Equitalia centro

Prejudiciële hofzaak

Zie bijlage rechts voor de verwijzingsuitspraak, en klik hier voor het dossier van het Hof van Justitie (voor zover beschikbaar).

Termijnen: Motivering departement:    25 juni 2018
Schriftelijke opmerkingen:                    11 augustus 2018

Trefwoorden: staatssteun; mededinging;

Onderwerp:
-           VWEU artikel 14, artikel 102(1), artikel 106(2), en artikel 107(1);

Feiten:

Verweerster (Poste Italiane SpA) is een privaatrechtelijke vennootschap waarvan de meerderheid van de aandelen in handen van de staat is. De decreto legislativo 504/1992 schreef in artikel 10(3) voor dat de gemeentelijke onroerendezaakbelasting op twee wijzen kon worden betaald: te weten rechtstreeks aan de concessiehouder, dan wel op een speciale postrekening op naam van de concessiehouder. De concessiehouder was dus verplicht om een postrekening te openen, wat inhield dat verweerster een wettelijk monopolie had. Pas in 2011 werd aan de concessiehouder voor de invordering van lokale belastingen uitdrukkelijk de mogelijkheid geboden om alleen een bankrekening in plaats van een postrekening te openen. Verweerster vraagt om betaling van een provisie voor het beheer van de postrekening waarop belastingplichtigen de gemeentelijke onroerendezaakbelasting betalen. Partijen zijn het er niet over eens of de betrokken provisie over de periode 1997-2006 moet worden betaald. De rechters in eerste aanleg en in hoger beroep hebben het recht op provisie aan verweerster toegekend, uitsluitend voor de periode van 01.03.1997 t/m 30.06.2003. Volgens verzoekster is deze vergoeding onrechtmatig. Doordat voor de invordering van belastingen een postrekening moet worden geopend ontstaat er een wettelijk monopolie voor verweerster, die van de daaruit voortkomende machtspositie gebruikmaakt om eenzijdig alle contractvoorwaarden (en het provisie-bedrag) te bepalen. De – niet aan de Commissie gemelde – steun die verweerster aldus van de staat ontvangt, is volgens verzoekster verboden op grond van de artikelen 107 en 108 VWEU, of subsidiair, de artikelen 102 en 106 VWEU en artikel 4 VEU.

Overweging:

De verwijzende rechter heeft zich recentelijk uitgesproken over de verplichting om de betrokken provisie te betalen, en heeft daarbij opgemerkt dat nergens is bepaald dat de dienst kosteloos is. Dat er een activiteit aan verweerster is voorbehouden vindt zijn logica en rechtvaardiging in het doel de invordering van belastingen te maximaliseren door middel van een fijn vertakt netwerk van postkantoren die op het gehele grondgebied eenvoudig toegankelijk zijn. De verwijzende rechter betwijfelt evenwel, gezien de in 2011 ingevoerde optie voor het banksysteem, of het wettelijk monopolie van verweerster wel rechtmatig is, en vraagt zich af of er niet eerder sprake is van niet-aangemelde staatssteun. De verwijzende rechter twijfelt of de aan verweerster voorbehouden positie rechtmatig is, aangezien in de regeling voor de invordering van andere lokale belastingen een bepaling ontbreekt die vergelijkbaar is met die van artikel 10(3) van decreto legislativo n. 504/1992 voor de gemeentelijke onroerendezaakbelasting, en voorts in wetsbesluit 241/97 en wetsbesluit 446/97 juist is bepaald dat de belastingen ook via het banksysteem kunnen worden betaald.

Prejudiciële vragen:

1. Verzetten artikel 14 VWEU (voorheen eerst artikel 7D EG, vervolgens artikel 16 EG), artikel 106, lid 2, VWEU (voorheen eerst artikel 90 EG, vervolgens artikel 86, lid 2, EG) en de kwalificatie als dienst van algemeen economisch belang (DAEB) zich tegen een regeling als die van artikel 10, lid 3, van decreto legislativo n. 504/1992 (wetsbesluit nr. 504/1992) juncto artikel 2, leden 18 tot en met 20, van legge n. 662/1996 (wet nr. 662/1996), volgens welke – ook na de privatisering van de door Poste Italiane SpA verleende postbankdiensten – aan Poste Italiane SpA een activiteit wordt en blijft voorbehouden (monopolie) betreffende het beheer van postrekeningen waarop de plaatselijke onroerendezaakbelasting wordt betaald, gelet op het feit dat de nationale regelgeving op het gebied van belastinginvordering zich aldus heeft ontwikkeld dat belastingplichtigen en ook lokale belastingkantoren in elk geval sinds 1997 via het banksysteem kunnen betalen en invorderen?

2. Indien het antwoord op de eerste vraag luidt dat de instelling van een wettelijk monopolie de kenmerken van een DAEB heeft, verzetten artikel 106, lid 2, VWEU (voorheen eerst artikel 90 EG, vervolgens artikel 86, lid 2, EG) en artikel 107, lid 1, VWEU (voorheen eerst artikel 92 EG, vervolgens artikel 87 EG) – volgens de uitlegging die het Hof van Justitie aan deze bepalingen heeft gegeven met betrekking tot de criteria om een wettige maatregel (ter financiering van verplichtingen betreffende openbare diensten) te onderscheiden van onwettige staatssteun (arrest van 24 juli 2003, C-280/00, Altmark Trans GmbH en Regierungspräsidium Magdeburg/Nahverkehrsgesellschaft Altmark GmbH) – zich dan tegen een regeling als die welke volgt uit artikel 10, lid 3, van decreto legislativo n. 504/1992, artikel 2, leden 18 tot en met 20, van legge n. 662/1996, en artikel 3, lid 1, van decreto del Presidente della Repubblica n. 144/2001 (besluit nr. 144/2001 van de president van de Republiek), in onderlinge samenhang gelezen, die aan Poste Italiane SpA de bevoegdheid toekent om eenzijdig de hoogte vast te stellen van de „provisie” die de met de invordering van de gemeentelijke onroerendezaakbelasting belaste concessiehouder (gemachtigde) verschuldigd is en van toepassing is op elke handeling van beheer die op de postrekening op naam van de concessiehouder wordt verricht, gelet op het feit dat Poste Italiane SpA deze provisie bij besluit van de raad van bestuur nr. 57/1996 heeft vastgesteld op 100 ITL voor de periode van 1 april 1997 tot en met 31 mei 2001 en op 0,23 EUR voor de periode na 1 juni 2001?

3. Verzetten artikel 102, lid 1, VWEU (voorheen eerst artikel 86 EG, vervolgens artikel 82, lid 1, EG), zoals uitgelegd door het Hof van Justitie (zie arresten van 13 december 1991, GB Inno BM, C-18/88; 25 juni 1998, Chemische Afvalstoffen Dusseldorp BV, C-203/96, en 17 mei 2001, TNT TRACO SpA, C-340/99), zich tegen een regeling als die welke tot stand is gebracht door artikel 2, leden 18 tot en met 20, van legge n. 662/1996, artikel 3, lid 1, van decreto del Presidente della Repubblica n. 144/2001, en artikel 10, lid 3, van decreto legislativo n. 504/1992, volgens welke de concessiehouder (gemachtigde) de „provisie” moet betalen, die door Poste Italiane SpA eenzijdig wordt vastgesteld en/of gewijzigd, en de overeenkomst betreffende de postrekening niet kan opzeggen omdat hij anders in strijd met de verplichting van artikel 10, lid 3, van decreto legislativo n. 504/1992 handelt en derhalve de verplichting tot invordering van de onroerendezaakbelasting die hij jegens het lokale belastingkantoor op zich heeft genomen, niet nakomt?

Aangehaalde (recente) jurisprudentie: C-18/88; C-203/96; C-340/99; C-280/00.

Specifiek beleidsterrein: EZK